ADVENTISTEN IN DE NEDERLANDSE LITERATUUR.
ADVENTISTEN IN DE NEDERLANDSE LITERATUUR.
In de Nederlandse literatuur is maar heel sporadisch iets te vinden over het adventisme. Dat is natuurlijk niet bevreemdend. Deze kerkgemeenschap vormt in ons land een uitermate kleine minderheidsgroep temidden van de vele christelijke stromingen. De kans dat onze kerk ter sprake komt in enig literair werk is navenant klein.
Toch zijn er een paar voorbeelden. Allereerst is er natuurlijk de bundel verhalen van Rob Schouten met als titel "GESTOLEN GOED". Uit dit boek ( zijn proza debuut in1989) blijkt dat z’n opvoeding in een adventistisch gezin toch inspiratie heeft opgeleverd voor een paar kostelijke verhalen. Degenen die zijn verhalen hebben gelezen weten dat in een paar van die verhalen de kerk er niet al te best vanaf komt. Misschien kunnen we beter zeggen dat sommige adventisten er niet zo best vanaf komen. Ook in zijn gedichtenbundel ("TE VOORSCHIJN SCHOMMELT HET HEELAL" van 1988 ) geeft hij wel eens een minder positieve opmerking over de kerk van zijn kinderjaren. Inmiddels is Rob Schouten, de zoon van de enige jaren geleden overleden predikant Jan Schouten, hoogleraar geworden in de Nederlandse taal en letterkunde en columnist van het dagbad Trouw. Daarmee is hij ( tussen haakjes) niet de enige hoogleraar in deze discipline die afkomstig is uit een adventistich gezin. Ook Frans Zwarts, neerlandicus, hoogleraar en rector magnificus van de universiteit van Groningen, groeide op in een adventistisch gezin. Zijn ouders waren lid van de gemeente Den Haag. Nu moet de aversie van Rob Schouten tegen onze kerk niet al te zeer worden overdreven. Zo werkte hij in een eerder stadium vol overgave mee aan de uit 1982 daterende editie van HET LIEDBOEK VOOR DE ADVENTKERK samen met Reinder Bruinsma. Het redigeerde en verbeterde bestaande teksten en vertaalde een aantal liederen uit onze Engelse Church Hymnal voor deze uitgave. Het ziet ernaaruit dat Rob Schouten na het overlijden van zijn vader, op wie hij erg was gesteld, geleidelijk steeds milder is gaan denken over de Zevende-dags Adventisten. Hij heeft het tenminste, na al die heisa rondom het lidmaatschap van onze kerk van Marianne Thieme (als lijstaanvoerder van de partij voor de dieren) in zijn column in Trouw voor de kerk van zijn ouders opgenomen. Tijdens een predikantendag, voor de collega’s van wijlen zijn vaderr, heeft hij onlangs zelfs een programma verzorgd. Ook las ik onlangs, in de website van de kerk, dat hij al eens een spreekbeurt heeft aangenomen voor een gemeenteprogramma op Sabbatmiddag, in een van onze gemeenten.
Een andere schrijver die in zijn publicaties onze kerk enige keren ter sprake brengt, is de uiterst populaire schrijver Maarten ‘t Hart. Deze is opgegroeid in het extreem fundamentalistische calvinistische milieu van zijn geboortestad Maassluis. In vrijwel al zijn boeken en verhalen speelt dit een rol. Opgegroeid als een vroom gereformeerd jongetje kost het hem, eenmaal volwassen geworden, veel moeite om zijn streng orthodoxe verleden van zich af te schudden. Hieraan danken we een groot aantal boeiende romans en uiterst leesbare verhalenbundels. Ik ben een trouw lezer van alles wat ‘t Hart publiceert, en u kunt vrijwel al zijn boeken in mijn boekenkast vinden. Het mag als bekend worden verondersteld dat Maarten ‘t Hart inmiddels het christelijke geloof heeft afgezworen. Hij doet immers constant zijn best om dat aan een ieder te laten weten..
In een van zijn verhalenbundels vertelt hij een verhaal over zijn jeugd. Zijn vader is doodgraver in Maassluis en het gezin moet het doen met een uiterst karig inkomen. Maarten is genoodzaaakt om als teenager er wat bij te verdienen. Zo komt hij bij een bakker terecht die hem, met een handkar, vers brood laat bezorgen bij zijn klanten. Tot zijn wijk behoort de Piet Heinstraat in Maassluis. Op een gegeven ogenblik wenst xe9xe9n van zijn klanten in die straat geen brood meer op Zaterdagmorgen. De desbetreffende dame blijkt zich te hebben aangesloten bij de Zevende-dags Adventisten, zo vermeldt Maarten ‘t Hart. Daar bleef het echter niet bij. Deze bekeerlinge tot het Adventisme blijkt over zo ‘n zendingsdrang te beschikken dat ze kans ziet om bijna alle bewoners van die straat over te halen om zich bij de Zevende-dags Adventisten aan te sluiten. Het gevolg is een pijnlijke ervaring van de jonge Maarten. Op een zaterdagmorgen verschijnt hij weer met zijn broodkar in de Piet Heinstraat. Daar staat een groep fanatieke sabbatvierders hem op te wachten om hem en zijn bakkerskar hardhandig uit hun straat te verwijderen. "Je mag geen brood kopen op sabbat, maar geweld mag kennelijk wel op de dag des Heren", zo voegt hij er vinnig aan toe. Dat dit echt precies zo is gebeurd, is hoogst onwaarschijnlijk. Het wordt tegengesproken door degenen die in die tijd onze gemeente Maassluis vormden. Maarten ‘t Hart is door de bewoners van het Maassluis van zijn jeugd trouwens al vaker beschuldigd van schromelijke overdrijving en het opleuken van gebeurtenissen, en dan altijd ten koste van de Maassluizenaars. Ik heb zelf als jong predikantje nog meegemaakt hoe onze predikant A.J.Dingjan ( ja, de vader van Rudy) daar de gemeente stichtte en toen nooit van hem vernomen dat in Maassluis vrijwel een gehele straat Adventist is geworden tijdens zijn evangelisatiewerk. Ook heb ik in die dagen wel eens gepreekt in de gemeente Maassluis en daar nimmer een agressieve sfeer tegenover andersdenkenden bemerkt. Hoe het ook zij, deze ervaring heeft hem aan het denken gezet. Het maakt dat zijn toch al wankelende geloof in de streng Calvinistische leer van zijn ouders weer een nieuwe deuk oploopt. Hij ontdekt namelijk dat de Adventisten duidelijk gelijk hebben. Er is in de gehele bijbel niets te vinden wat ook maar de geringste aanleiding geeft om te veronderstellen dat de sabbat, de zevende dag van de week, als wekelijkse rustdag ooit is vervangen door de zondag op de eerste dag van de week. Nog twee keer komt hij in zijn boeken hierop terug. Maarten ‘t Hart is inmiddels een gevierd schrijver geworden wanneer NRC Handelsblad hem vraagt een aantal alternatieve bijbeloverdenkingen te schrijven voor deze krant. Tussen 1992 en 1994 publiceert hij een zestiental van die atikelen. Er blijft, zo blijkt uit deze artikelen, volgens Maarten ‘t Hart niet veel over van de betrouwbaarheid van de bijbel. De krant kreeg als gevolg hiervan een ware stortvloed van grotendeels woedende brieven van kekwetste bijbelgelovigen Zij voelen zich diep beledigd vanwege de badinerende toon die Maarten ‘t Hart aansloeg in zijn schrijfsels. Wellicht was dit de reden waarom de krant besloot om deze serie te stoppen. Het kan ook zijn dat de echte reden was dat Maarten geen munitie meer had voor de voortzetting van zijn reeks aanvallen op de bijbel. Later heeft de schrijver deze artikelen uit de N.R.C. saamengevvoegd met een aantal artikelen van dezelfde strekking, die hij niet eerder had durven publiceren. De bundel is in 1997 uitgekomen onder de provocerende naam: "WIE GOD VERLAAT HEEFT NIETS TE VREZEN". In dit boek gaat hij nogal tekeer tegen degenen die de bijbel als het gexefnspireerde woord van God zien en wijst hij herhaaldelijk op de ongerijmdheden die er volgens hem in de bijbel staan. In het op xe9xe9n na laatste artikel neemt hij de strikte zondagviering van de orthodoxe christenen op de hak. Weer dist hij het verhaal op uit zijn jeugd over de broodkar in de Piet Heinstaat. Nu vermeldt hij er echter bij, dat er bij hem in de klas een jongen zat afkomstig uit een van de adventistische families in Maassluis. Van hem kreeg de jonge Maarten een pamflet waarin, zo vertelt hij, omstandig werd uitgelegd dat er in de bijbel nergens een aanwijzing is te vinden waaruit kan worden opgemaakt dat de heiliging van de zaterdag ( sabbat) door de heiliging van de zondag vervangen moet worden. Een paar keer is er in het Nieuwe Testament sprake van de " eerste dag der week", maar nooit en te nimmer wordt erbij gezegd dat die dag voortaan de rustdag van de aanhangers van Jezus Christus moest worden. Hij komt dan tot de volgende ontboezeming; "Ik geloof dat de zevende-dags Adventisten, al zijn ze totaal krankzinnig, in dit opzicht groot gelijk hebben. Er is op grond van wat hierover in het Nieuwe Testament te vinden is, niet de minste aanleiding om de wekelijkse rustdag van de zaterdag naar de zondag te verschuiven. Dat Jezus op een zondag opgestaan zou zijn en dat dat een reden is om nu voortaan de zondag als rustdag te wijden, is op geen enkele manier bewijsbaar. Nee de inwoners van de Piet Heinstraat hadden het gelijk aan hun zijde". Einde citaat. Aan het eind van het artikel voegt hij er nog een P.S.aan toe. Daarin schrijft hij: "Het is niet het bijbelwoord, maar nota bene een keizer geweest, keizer Constantijn, die ons met die onzalige zondagsheiliging heeft opgescheept. Halverwege de vierde eeuw bepaalde keizer Constantijn dat de zondag een rustdag zal zijn en dan zien we hoe de inhoud van deze dag steeds meer gevuld wordt met bepalingen die ontleend zijn aan de joodse sabbatviering", citeert hij uit het boek van A.F.J.Kleijn ( HET ONTSTAAN VAN HET NIEUWE TESTAMENT).
In 1999 publiceerde Maarten ‘t Hart een bundel columns die hij sinds 1995 geschreven had voor de bladen van de Geassocieerde Pers Diensten onder de curieuze naam:"DE GEVAREN VAN JOGGEN". En ook in deze bundel komt de sabbat versus de zondag kwestie weer aan de orde. Maarten blijkt dan inmiddels een fanatiek tuinier van macrobiotische groenten en tevens overtuigd vegetarixebr te zijn geworden. In een van de artikelen in de bundel met de titel: "EEN ZONDAGSSTEEK" herinnert hij zich dat hem in zijn jeugd was voorgehouden dat op arbeid die verricht werd op zondag geen zegen kon rusten. Het spreekwoord dat rondging in Maassluis was: "Een zondags steek houdt geen week". Hij besluit de proef op de som te nemen. Hij gaat al de data noteren waarop hij zijn boontjes, pootaardappelen, uitjes en tomatenplanten in zijn tuin in de grond stopt. Ze worden opgesplitst in twee helften. De ene helft gaat op een doordeweekse dag de grond in, de andere helft op zondag. In gelijke rijtjes. Zo had hij twee aan elkaar gelijke rijtjes waarvan hij uiteindelijk de opbrengst kon vergelijken. Na acht jaar heeft hij een heel schrift vol met resultaten. En wat blijkt? Bij de uitjes maakt het niet uit op welke dag je ze plant. Ze doen het altijd wel. Maar opzienbarend zijn de verschillen bij aardappelen, tomaten en sperciebonen. Al wat hij op zondag plant of poot doet het veel beter dan wat op een doordeweekse dag de grond in gaat."Speciaal bij de tomaten zijn de verschillen enorm", schrijft ‘t Hart. "Dit jaar zet ik mijn tomatenplanten uit op zondag. Je opbrengst is bijna anderhalf keer zo groot" zo vertrouwt hij ons toe. Als toegift komt er dan nog als commentaar; "Ik heb er geen verklaring voor dat mijn zondagarbeid al die jaren zo rijkelijk gezegend is. Wel weet ik dat zaterdag de slechtste dag van de week is. Van wat je op zaterdag plant of zaait is de opbrengst minder dan op andere dagen". En dan komt het weer. De column eindigt met: "Zou ‘t dan zo zijn dat het niet de zondag is die strikt geheiligd dient te worden maar, zoals overigens duidelijk in de bijbel staat, de zaterdag ? Nergens in het woord des Heren is ook maar de minste aanwijzing te vinden dat het terecht is dat de te heiligen sabbatdag verschoven is van de zaterdag naar de zondag".
Ik weet niet of, als gevolg van dit artikel van de hand van Maarten ‘t Hart, het spreekwoord in Maassluis is veranderd in :"Een sabbatsteek houdt geen week". Ik denk van niet.
K.C.van Oossanen
