ADVENTISTEN IN DE NEDERLANDSE LITERATUUR.

ADVENTISTEN IN DE NEDERLANDSE LITERATUUR.

In de Nederlandse literatuur is maar heel sporadisch iets te vinden over het adventisme. Dat is natuurlijk niet bevreemdend. Deze kerkgemeenschap vormt in ons land een uitermate kleine minderheidsgroep temidden van de vele christelijke stromingen. De kans dat onze kerk ter sprake komt in enig literair werk is navenant klein.

Toch zijn er een paar voorbeelden. Allereerst is er natuurlijk de bundel verhalen van Rob Schouten met als titel "GESTOLEN GOED". Uit dit boek ( zijn proza debuut in1989) blijkt dat z’n opvoeding in een adventistisch gezin toch inspiratie heeft opgeleverd voor een paar kostelijke verhalen. Degenen die zijn verhalen hebben gelezen weten dat in een paar van die verhalen de kerk er niet al te best vanaf komt. Misschien kunnen we beter zeggen dat sommige adventisten er niet zo best vanaf komen. Ook in zijn gedichtenbundel ("TE VOORSCHIJN SCHOMMELT HET HEELAL" van 1988 ) geeft hij wel eens een minder positieve opmerking over de kerk van zijn kinderjaren. Inmiddels is Rob Schouten, de zoon van de enige jaren geleden overleden predikant Jan Schouten, hoogleraar geworden in de Nederlandse taal en letterkunde en columnist van het dagbad Trouw. Daarmee is hij ( tussen haakjes) niet de enige hoogleraar in deze discipline die afkomstig is uit een adventistich gezin. Ook Frans Zwarts, neerlandicus, hoogleraar en rector magnificus van de universiteit van Groningen, groeide op in een adventistisch gezin. Zijn ouders waren lid van de gemeente Den Haag. Nu moet de aversie van Rob Schouten tegen onze kerk niet al te zeer worden overdreven. Zo werkte hij in een eerder stadium vol overgave mee aan de uit 1982 daterende editie van HET LIEDBOEK VOOR DE ADVENTKERK samen met Reinder Bruinsma. Het redigeerde en verbeterde bestaande teksten en vertaalde een aantal liederen uit onze Engelse Church Hymnal voor deze uitgave. Het ziet ernaaruit dat Rob Schouten na het overlijden van zijn vader, op wie hij erg was gesteld, geleidelijk steeds milder is gaan denken over de Zevende-dags Adventisten. Hij heeft het tenminste, na al die heisa rondom het lidmaatschap van onze kerk van Marianne Thieme (als lijstaanvoerder van de partij voor de dieren) in zijn column in Trouw voor de kerk van zijn ouders opgenomen. Tijdens een predikantendag, voor de collega’s van wijlen zijn vaderr, heeft hij onlangs zelfs een programma verzorgd. Ook las ik onlangs, in de website van de kerk,  dat hij al eens een spreekbeurt heeft aangenomen voor een gemeenteprogramma op Sabbatmiddag, in een van onze gemeenten.

Een andere schrijver die in zijn publicaties onze kerk enige keren ter sprake brengt, is de uiterst populaire schrijver Maarten ‘t Hart. Deze is opgegroeid in het extreem fundamentalistische calvinistische milieu van zijn geboortestad Maassluis. In vrijwel al zijn boeken en verhalen speelt dit een rol. Opgegroeid als een vroom gereformeerd jongetje kost het hem, eenmaal volwassen geworden, veel moeite om zijn streng orthodoxe verleden van zich af te schudden. Hieraan danken we een groot aantal boeiende romans en uiterst leesbare verhalenbundels. Ik ben een trouw lezer van alles wat ‘t Hart publiceert, en u kunt vrijwel al zijn boeken in mijn boekenkast vinden. Het  mag als bekend worden verondersteld dat Maarten ‘t Hart inmiddels het christelijke  geloof heeft afgezworen. Hij doet immers constant zijn best om dat aan een ieder te laten weten..

In een van zijn verhalenbundels vertelt hij een verhaal over zijn jeugd. Zijn vader is doodgraver in Maassluis en het gezin moet het doen met een uiterst karig inkomen. Maarten is genoodzaaakt om als teenager er wat bij te verdienen. Zo komt hij bij een bakker terecht die hem, met een handkar, vers brood laat bezorgen bij zijn klanten. Tot zijn wijk behoort de Piet Heinstraat in Maassluis. Op een gegeven ogenblik wenst xe9xe9n van zijn klanten in die straat geen brood meer op Zaterdagmorgen. De desbetreffende dame blijkt zich te hebben aangesloten bij de Zevende-dags Adventisten, zo vermeldt Maarten ‘t Hart. Daar bleef het echter niet bij. Deze bekeerlinge tot het Adventisme blijkt over zo ‘n zendingsdrang te beschikken dat ze kans ziet om bijna alle bewoners van die straat over te halen om zich bij de Zevende-dags Adventisten aan te sluiten. Het gevolg is een pijnlijke ervaring van de jonge Maarten. Op een zaterdagmorgen verschijnt hij weer met zijn broodkar in de Piet Heinstraat. Daar staat een groep fanatieke sabbatvierders hem op te wachten om hem en zijn bakkerskar hardhandig uit hun straat te verwijderen. "Je mag geen brood kopen op sabbat, maar geweld mag kennelijk wel op de dag des Heren", zo voegt hij er vinnig aan toe. Dat dit echt precies zo is gebeurd, is hoogst onwaarschijnlijk. Het wordt tegengesproken door degenen die in die tijd onze gemeente Maassluis vormden. Maarten ‘t Hart is door de bewoners van het Maassluis van zijn jeugd trouwens al vaker beschuldigd van schromelijke overdrijving en het opleuken van gebeurtenissen, en dan altijd ten koste van de Maassluizenaars. Ik heb zelf als jong predikantje nog meegemaakt hoe onze predikant A.J.Dingjan ( ja, de vader van Rudy) daar de gemeente stichtte en toen nooit van hem vernomen dat in Maassluis vrijwel een gehele straat Adventist is geworden tijdens zijn evangelisatiewerk. Ook heb ik in die dagen wel eens gepreekt in de gemeente Maassluis en daar nimmer een agressieve sfeer tegenover andersdenkenden bemerkt. Hoe het ook zij, deze ervaring heeft hem aan het denken gezet. Het maakt dat zijn toch al wankelende geloof in de streng Calvinistische leer van zijn ouders weer een nieuwe deuk oploopt. Hij ontdekt namelijk dat de Adventisten duidelijk gelijk hebben. Er is in de gehele  bijbel niets te vinden wat ook maar de geringste aanleiding geeft om te veronderstellen dat de sabbat, de zevende dag van de week, als wekelijkse rustdag ooit is vervangen door de zondag op de eerste dag van de week. Nog twee keer komt hij in zijn boeken hierop terug. Maarten ‘t Hart is inmiddels een gevierd schrijver geworden wanneer NRC Handelsblad hem vraagt een aantal alternatieve bijbeloverdenkingen te schrijven voor deze krant. Tussen 1992 en 1994 publiceert hij een zestiental van die atikelen. Er blijft, zo blijkt uit deze artikelen, volgens Maarten ‘t Hart niet veel over van de betrouwbaarheid van de bijbel. De krant kreeg als gevolg hiervan een ware stortvloed van grotendeels woedende brieven van kekwetste bijbelgelovigen Zij voelen zich diep beledigd vanwege de badinerende toon die Maarten ‘t Hart aansloeg in zijn schrijfsels. Wellicht was dit de reden waarom de krant besloot om deze serie te stoppen. Het kan ook zijn dat de echte reden was dat Maarten geen munitie meer had voor de voortzetting van zijn reeks aanvallen op de bijbel. Later heeft de schrijver deze artikelen uit de N.R.C. saamengevvoegd met een aantal artikelen van dezelfde strekking, die hij niet eerder had durven publiceren. De bundel is in 1997 uitgekomen onder de provocerende naam: "WIE GOD VERLAAT HEEFT NIETS TE VREZEN". In dit boek gaat hij nogal tekeer tegen degenen die de bijbel als het gexefnspireerde woord van God zien en wijst hij herhaaldelijk op de ongerijmdheden die er volgens hem in de bijbel staan. In het op xe9xe9n na laatste artikel neemt hij de strikte zondagviering van de orthodoxe christenen op de hak. Weer dist hij het verhaal op uit zijn jeugd over de broodkar in de Piet Heinstaat. Nu vermeldt hij er echter bij, dat er bij hem in de klas een jongen zat afkomstig uit een van de adventistische families in Maassluis. Van hem kreeg de jonge Maarten een pamflet waarin, zo vertelt hij, omstandig werd uitgelegd dat er in de bijbel nergens een aanwijzing is te vinden waaruit kan worden opgemaakt dat de heiliging van de zaterdag ( sabbat) door de heiliging  van de zondag vervangen moet worden. Een paar keer is er in het Nieuwe Testament sprake van de " eerste dag der week", maar nooit en te nimmer wordt erbij gezegd dat die dag voortaan de rustdag van de aanhangers van Jezus Christus moest worden. Hij komt dan tot de volgende ontboezeming; "Ik geloof dat de zevende-dags Adventisten, al zijn ze totaal krankzinnig, in dit  opzicht groot gelijk hebben. Er is op grond van wat hierover in het Nieuwe Testament te vinden is, niet de minste aanleiding om de wekelijkse rustdag van de zaterdag naar de zondag te verschuiven. Dat Jezus op een zondag opgestaan zou zijn en dat dat een reden is om nu voortaan de zondag als rustdag te wijden, is op geen enkele manier bewijsbaar. Nee de inwoners van de Piet Heinstraat hadden het gelijk aan hun zijde". Einde citaat. Aan het eind van het artikel voegt hij er nog een P.S.aan toe. Daarin schrijft hij: "Het is niet het bijbelwoord, maar nota bene een keizer geweest, keizer Constantijn, die ons met die onzalige zondagsheiliging heeft opgescheept. Halverwege de vierde eeuw bepaalde keizer Constantijn dat de zondag een rustdag zal zijn en dan zien we hoe de inhoud van deze dag steeds meer gevuld wordt met bepalingen die ontleend zijn aan de joodse sabbatviering", citeert hij uit het boek van A.F.J.Kleijn ( HET ONTSTAAN VAN HET NIEUWE TESTAMENT).

In 1999 publiceerde Maarten ‘t  Hart een bundel columns die hij sinds 1995 geschreven had voor de bladen van de Geassocieerde Pers Diensten onder de curieuze naam:"DE GEVAREN VAN JOGGEN". En ook  in deze bundel komt de sabbat versus de zondag kwestie weer aan de orde. Maarten blijkt dan inmiddels een fanatiek tuinier van macrobiotische groenten en tevens overtuigd vegetarixebr te zijn geworden. In een van de artikelen in de bundel met de titel: "EEN ZONDAGSSTEEK" herinnert hij zich  dat hem in zijn jeugd was voorgehouden dat op arbeid die verricht werd op zondag geen zegen kon rusten. Het spreekwoord dat rondging in Maassluis was: "Een zondags steek houdt geen week". Hij besluit de proef op de som te nemen. Hij gaat al de data noteren waarop hij zijn boontjes, pootaardappelen, uitjes en tomatenplanten in zijn tuin in de grond stopt. Ze worden opgesplitst in twee helften. De ene helft gaat op een doordeweekse dag de grond in, de andere helft op zondag. In gelijke rijtjes. Zo had hij twee aan elkaar gelijke rijtjes waarvan hij uiteindelijk de opbrengst kon vergelijken. Na acht jaar heeft hij een heel schrift vol met resultaten. En wat blijkt? Bij de uitjes maakt het niet uit op welke dag je ze plant. Ze doen het altijd wel. Maar opzienbarend zijn de verschillen bij aardappelen, tomaten en sperciebonen. Al wat hij op zondag plant of poot doet het veel beter dan wat op een doordeweekse dag de grond in gaat."Speciaal bij de tomaten zijn de verschillen enorm", schrijft  ‘t  Hart. "Dit jaar zet ik mijn tomatenplanten uit op zondag. Je opbrengst is bijna anderhalf keer zo groot" zo vertrouwt hij ons toe. Als toegift komt er dan nog als commentaar; "Ik heb er geen verklaring voor dat mijn zondagarbeid al die jaren zo rijkelijk gezegend is. Wel weet ik dat zaterdag de slechtste dag van de week is. Van wat je op zaterdag plant of zaait is de opbrengst minder dan  op andere dagen". En dan komt het weer. De column eindigt met: "Zou ‘t dan zo zijn dat het niet de zondag is die strikt geheiligd dient te worden maar, zoals overigens duidelijk in de bijbel staat, de zaterdag ? Nergens in het woord des Heren is ook maar de minste aanwijzing te vinden dat het terecht is dat de te heiligen sabbatdag verschoven is van de zaterdag naar de zondag".

Ik weet niet of, als gevolg van dit artikel van de hand van Maarten ‘t Hart, het spreekwoord in Maassluis is veranderd in :"Een sabbatsteek houdt geen week". Ik denk van niet.

                                                                                                         K.C.van Oossanen

15 November 2007
By on 16:19
VERBAAL GEWELD.

VERBAAL GEWELD.

Onlangs heeft Dhr.Wilders in de tweede kamer een minister voor "knettergek" uitgemaakt en heeft Dhr. Pronk, die het bijna tot voorzitter van een politieke partij had geschopt, de minister president van dit land een "leugenaar" genoemd. Wie even z’n oor te luisteren legt in onze huidige samenleving heeft allang ontdekt dat dit de randverschijnselen zijn van een proces dat al lang aan de gang is. Namelijk de verruwing van het woordgebruik in onze samenleving. Het uitschelden van anderen, bij het minste geringste dat ons in die ander niet aanstaat, is bijna deel van de huidige Nederlandse omgangsvormen geworden. Dat is kennelijk nu ook tot de Nederlandse politiek doorgedrongen. Eens bestond er in ons parlement een soort hoofse cultuur. Je kon het ernstig met elkaar oneens zijn als volksvertegenwoordiger, maar als je in een debat in de kamer tegenover elkaar stond dan bleef je beleefd en maakte je elkaar niet voor rotte vis uit. Je bleef beschaafd en ging uit van de goede bedoelingen van een tegenstander. Die ander zag het onjuist en moest met argumenten overtuigd worden van zijn ongelijk, dat was de stijl van het debat. In een van de oudste democratixebn van Europa, Groot Brittannixeb, blijft men in het parlement, ondanks de scherpe toon waarop vaak het debat wordt gevoerd elkaar aanspreken met : "geacht kamerlid". En dit is meer dan een dode beleefdheidsvorm. Het zet de toon van het debat. Mocht een M.P. in het vuur van het bebat al eens een uitglijder maken, dan grijpt de "Speaker " ogenblikkelijk in en eist excuses van degene die zich aan kwetsend woordgebruik heeft schuldig gemaakt. Schelden hoort niet, en zeker niet een ordentelijk parlement.  Een van de vorige kamervoorzitters zei eens: "Schelden is een "zonde"tegenover verbale fatsoenregels die bovendien eenn gebrek aan argumenten verhult". Vroeger stond in het reglement van orde dat een kamervoorzitter onwelgevallige woorden die gebruikt waren in het parlement kon laten verwijderen uit het kamerverslag van de "Handelingen van de Staten Generaal" en deze door meer neutrale woorden laten vervangen. Tegenwoordig kan dat niet meer, alhoewel de voorzitter nog steeds het recht heeft iemand het woord te ontnemen als het de spuigaten gaat uitlopen. Van dat recht wordt echter maar hoogst zelden gebruik gemaakt. Helaas lijken er ook grote groepen Nederlanders te zijn die het geweldig vinden wat Dhr. Wilders meent allemaal te kunnen zeggen.

Een even bedenkelijk verschijnsel van dit verruwd taalgebruik is de trent bij onze teenagers om elkaar via SMS, E-mail en de chat-boxen uit te maken voor al het lelijks wat men maar kan bedenken. In de media werd onlangs ook alarm geslagen over de z.g."rapbattles". Rapteksten waarin jongelui elkaar in de meest grove termen uitschelden en beledigen. In deze rapteksten wordt meestal tot grof geweld opgeroepen, in navolging van bepaalde gewelddadige figuren uit Amerika, zoals de inmiddels doodgeschoten rapper Tupac Shakur. Er blijkt een levensgevaarlijke subcultuur, onder bepaalde groepen jongeren, te zijn ontstaan waarin door rappers het gebruik van geweld dusdanig verheerlijkt wordt; dat sommige onevenwichtige jongens tot geweldadigheden komen. Een stadsdeelwethouder in Rotterdam heeft hierover onlangs de noodklok geluid, omdat in zijn stadsdeel dit al tot twee moorden heeft geleid.

Geruime tijd geleden heeft burgemeester Cohen van Amsterdam al eens het bevel gegeven om een groep supporters van de tribunes te laten verwijderen. De groep had een spreekkoor aangeheven met de tekst: "Hamas, Hamas, alle joden aan het gas". Het aanheffen van weerzinwekkende spreekkoren was toen al een verschijnsel dat al geruime tijd doorziekte op onze voetbalvelden. Het was dan ook niet de eerste keer dat een bepaalde groep voetbalsupporters onaanvaardbare smerige leuzen riep op de tribunes. Voetballers met een donkere huidskleur werd zelfs al geleerd om de oren te sluiten voor kwalijke racistische leuzen en scheldwoorden vanuit de supportersgroep van de tegenstander. Toen in de pers het bericht was verschenen dat er bij de vrouw van de toenmalige voetbaltrainer van Ajax, Louis van Gaal, terminale kanker was geconstateerd; werd er tijdens een wedstrijd vanuit een groep aanhangers van de tegenstanders van Ajax een gruwelijk spreekkoor aangeheven met: "Van Gaal die heeft een kankerwijf".Een ander spelerr moest zich laten welgevallen dat zijn vrouw met naam en toenaam voor "hoer"werd uitgeschulden door groepen op de tribunes. Toch werd dit alles ( naar mijn smaak veel te lang ) gedoogd. Tot het woord "joden" viel. Toen pas reageerden de autoriteiteen en dit keer als door een adder gebeten. Dit heeft waarschijnlijk te maken met onze traumatische ervaringen uit de tweede wereldoorlog. Deze uitbarting van verbaal geweld riep reminiscenties op aan het vreselijke lott dat de joden trof tijdens deze oorlog. Inmiddels is het zelfs al  geen uitzonderinge meer dat bepaalde groepen voetbalsupporters niet meer tevreden zijn met alleen maar elkaar verrot te schelden tijdens een wedstrijd. Het komt al voor dat na die uitvoerige scheldpartijen, afspraken worden gemaakt om elkaar ergens te ontmoeten voor een partijtje "matten". Daarbij is zelfs al eens een keer een dode gevallen en het interieur van een supportershonk van een andere voetbalclub kort en klein geslagen. Daarmee is de stelling aardig onderbouwd, dat verbaal geweld gemakkelijk kan uitmonden in lichamelijk geweld.   

Het is overduidelijk dat het verschijnsel van het toenemende gebruik van "het verbale geweld" als een schaduw hangt over onze samenleving. Enig tijd geleden las ik een, als ingezonden mededeling in een van onze landelijke dagbladen opgenomen, verhaal over een incident in de Amsterdamse tram. De schrijfster van deze ingezonden mededeling maakt veelvuldig gebruik van het openbaar vervoer in onze hoofdstad. Regelmatig krijgt ze te maken met scheldende passagiers en grof taalgebruik tegenover bestuurders, controleurs en zelfs tegenover medepassagiers. De ervaring die ze beschreef was slechts een illustratie van hetgeen zich vrijwel dagelijks wel ergens afspeelt in de trams, bussen en op straat in onze Amstelstad. Haar verhaal was als volgt: De tram is nogal vol en er staan  mensen in de paden en op de balkons. Op het middenbalkon staat een groepje, waarschijnlijk Marokkaanse, jongens te praten met een paar meisjes met hoofddoekjes. Bij een van de haltes stapt een blond meisje, met een stapeltje boeken onder haar arm, op de tram. Ze is vergezeld van een oude dame, waarschijnlijk haar moeder. Zodra het meisje het balkon passeert om binnen een plekje te zoeken, trekt ze de aanadacht van de jongens. Ogenblikkelijk beginnen ze uit te varen tegen het meisje. In de hun beschikbare  Nederlandse woordenschat blijken de woorden "slet"en "hoer"’ veelvuldig voor te komen, al dan niet voorzien van een ernstige ziekte. De meisjes met de hoofddoekjes vinden dit kennelijk amusant en grijnzen breed. Het blonde meisje woont waarschijnlijk in Amsterdam, en is kennelijk gewend geraakt aan dit soort incidenten, die naar verluidt in bepaalde wijken heel gewoon zijn. Ze reageert niet en, zo heeft ze al geleerd, weet dat men onder alle omstandigheden oogcontact met dit soort jongen moet vermijden. Ze doet alsof ze niets hoort. De moeder  is echter minder gehard en kijkt vol misprijzen naar de groep "Marokkanen"op het balkon. Dat staat de groep jongelui kennelijk niet aan en ze beginnen de moeder uit te maken voor "kankerwijf" met de toevoeging: "kijk voor je". In deze ingezonden mededeling waren het volgens de briefschrijfster waarschijnlijk Marokkaanse jongeren. Maar het verbale geweld dat woedt in onze steden is echter niet beperkt tot bepaalde groepen jeugd uit deze bevolkingsgroep. Rotterdammers kunnen identieke verhalen vertellen over no-go-area’s in hun stad, waar Antilliaanse jongeren sommige wijken terroriseren. Onlangs bereikte de pers berichten over soortgelijke misstanden in de Utrechtse wijk "Kanaleneiland" waar de politie het gezag over groepen gewelddadige jongeren in die wijk aan het verliezen was. Een groep volksvertegenwoordigers, die een werkbezoek bracht aan Kanaleneiland, werd stijf gescholden en vertelde achteraf hoezeer ze geschrokken waren van de sfeer van intimidatie en geweld in deze volkswijk. Maar het voetbaltuig, waarover we het hadden aan het begin van dit artikel, bestaat op haar beurt weer vrijwel geheel uit autochtone blanke Nederlanders.

Men zou zelfs de vraag kunnen stellen of de jongeren uit allochtone bevolkingsgroepen dit "tekeergaan" in de openbare ruimte, niet hebben over genomen van autochtone Hollandse jongeren. In hun oorspronkelijke landen van herkomst behoorde dit helemaal niet tot de lokale omgangsvormen. Integendeel; juist in de Moslimwereld is eerbied en respect voor "ouderen" en voor "de vrouw" juist een balangrijk aspect van de Islamitische cultuur.

Ook in het Oude Testament komen we nogal wat uitspraken tegen, die oproepen tot respectvol omgaan met elkaar en ouderen in het bijzonder. Leest u de bijbelboeken; "Spreuken"en "Prediker" er maar eens op na. Toch waren er ook in die dagen al groepen jongelui die deze regels aan hun laars lapten. In Koningen 2:23-25 lezen we over een incident waarin melding wordt gemaakt van"verbaal geweld" in de vorm van een scheldpartij. Een groep jongeren schelden daar een oudere man uit. Het gaat hier over de eerbiedwaardige profeet Elisa. Hij komt een groepje jongelui tegen die hem zomaar, zonder enige aanleiding beginnen uit te schelden. Elisa zegt hen meteen, in de naam des Heren, de wacht aan. Degenen die zich zo misdragen zijn vervloekt, zegt de schrijver van het boek Koningen. Het loop dan ook slecht af met de jongelui. Vanuit het bos duiken, als een soort mobiele eenheid, twee berinnen op die korte metten maken met deze hooligans.

In het Nieuwe Testament lezen we een uitsprak van Jezus die aangeeft dat Hij "verbaal geweld"gelijk stelt aan lichamelijk, fysiek, geweld. U kunt dit lezen in Mattheus 5;22. Jezus verwijst daar naar het zesde gebod; "Gij zult niet dood slaan". (vers 21) Hij stelt dat het zesde gebod niet alleen betrekking heeft op het letterlijk fysieke geweld van doodslag en moords, maar ook op "verbaal geweld". in de vorme van schelden, elkaar beledigen en het uitspreken van een verwensingen gericht tegen de naaste. "IN WOEDE TEGEN EEN MEDEMENS TEKEER GAAN’", is daar de omschrijving van "verbaal geweld". "Als u iemand uitmaakt voor RAKA ( wij zouden zeggen " IDIOOT", in onze bijbelvertaling vertald met:"dwaas") zult u zich daarvoor moeten verantwoorden in het grote oordeel" zegt Jezus daar.Kennelijk was het woord RAKA in die dagen een heel gemeen scheldwoord. Wie dat gebruikt tegenover een medemens zal vervallen tot het hellevuur, voegt Jezus eraan toe. Dat liegt er niet om. De bijbel keurt iedere vorm van geweld af. Niet alleen lichamelijk, fysiek, geweld, maar ook geweld met gebruikmaking van woorden. De boodschap is duidelijk. Het elkaar beschadigen doormiddel van woorden is strijdig met de geest van het evangelie zoals Christus die predikte.

We mogen niet vergeten dat het "zinloos geweld", waartegen de mensen nogal eens in stille tochten protesteren als er weer eens slachtroffers zijn gevallen, vrijwel altijd is voorafgegaan door "verbaal geweld".                               

                                                                                                          K.C.van Oossanen

21 October 2007
By on 15:52
MEDEDELING

MEDEDELING.

Bij het opzetten van mijn weblog heb ik medegedeeld dat het in mijn bedoeling lag om de samenvatting van de gesprekstukken die ik geschreven heb voor de commissie "TOEKOMSTVISIE" op deze weblog te plaatsen. Inmiddels heeft het rapport van deze commissie haar eindfase bereikt en zal ,naar ik aanneem, door het Alg Kerkbestuur gepresenteerd worden aan de afgevaardigden tijdens het komende uniecongres. Nu lijkt mij achteraf het idee om de samenvatting van de gesprekstukken ( die ik voor de vergaderingen van de commissie heb geproduceerd)  niet zo’n goed idee. Doordat ik er voortdurend iets aan heb veranderd en ook aan toegevoegd is het een document van c.a. 20 pagina’s geworden. Te veel voor een weblog. Indien er toch bezoekers aan mijn weblog zijn die het document zouden willen lezen is er de mogelijkheid om hen dit per  E-mail toe te zenden. Als zij mij een mailtje sturen met het verzoek tot toezending, met vermelding van hun E-mail adres, zal ik ervoor zorgen dat ze het ducument ontvangen. Mijn E-mail adres is    K.C.van.Oossanen@hetnet.nl

5 October 2007
By on 10:52
HET RAADSEL VAN DE KAMEEL

HET RAADSEL VAN DE KAMEEL.

In het verleden werd er op managementstrainingen nogal eens een grapje gedebiteerd dat ik gemakshalve maar zal aanduiden met: "Het raadsel van de kameel". Dat ging dan als volgt. Tijdens een discussie over "Problem solving strategies" ( probleem oplossende strategixebn) stelde de docent opeens de vraag: "Weten jullie wat een kameel is?" Wanneer de deelnemers aan de cursus niet meteen het antwoord wisten, was de grapjas maar al te gretig bereid om de vraag zelf te beantwoorden. "Een kameel is een paard bedacht door een commissie" verkondigde hij dan grijnzend. Het mag u duidelijk zijn dat de olijkerd, die dit grapje ooit bedacht heeft, geen al te hoge pet op had van het werk dat commissies over het algemeen doen. Overigens niets ten nadele van de kamelen. Iedereen zal het erover eens zijn dat dit uitermate nuttige beesten zijn, maar de meesten zullen het waarschijnlijk geen fraaie aantrekkelijke dieren vinden. Zeker niet als men er een sierlijk Arabisch volbloed paard naast zet. Het is net alsof een commissie eerst een pakket van eisen heeft opgesteld voordat het dier werd geschapen. Dat pakket bevatte een aantal moeilijk met elkaar verenigbare eisen. Het dier moet door een mens te berijden zijn, maar ook in staat om onder moeilijke omstandigheden zware lasten te dragen. Het diende voorzien te zijn van inwendige voorraadtanks om reservevoedsel als brandstof mee te voeren en een voldoende voorraad water, teneinde lange tochten door de woestijn te kunnen maken zonder bij te tanken. Het moest overdag onder extreem hoge temperaturen zijn werk kunnen doen, maar het behoorde ook de vrieskou van de woestijnnacht te kunnen trotseren. Als lastdier mocht het geen hoge kruissnelheid hebben zodat de begeleiders van de karavaan het lopend zouden kunnen bijhouden. Maar als het erop aan kwam moest het toch in staat zijn grotere snelheden te ontwikkelen. Het moest niet kieskeurig zijn wat betreft voedsel en vooral niet erg onderhoudsgevoelig. Het resultaat is een compromis tussen al die tegenstrijdige eisen. Het arme schepsel kan onmogelijk aan alle eisen voldoen. Je kunt op een kameel rijden, dat is waar. Maar wie het al eens geprobeerd heeft weet dat je daarbij niet al te gevoelig moet zijn voor zeeziekte. Op een kameel klimmen en er nadien ook weer af te komen is een hele klus. De kameel kan lasten dragen, maar zeker niet veel meer dan een goed pakpaard of een muilezel. Je kunt het laten draven en er worden in het midden oosten ook races mee gehouden, maar ga het niet vergelijken met paardenraces. Het dier heeft van alles iets, maar blinkt nergens echt in uit. Het lijkt op het werk van een commissie, waarbij na uitvoerig overleg en studie van het pakket van eisen uiteindelijk een moeizaam compromis is gevonden tussen al die vaak met elkaar in strijd zijnde eisen.

Het grapje heeft kennelijk zijn tijd overleefd. Je hoort het al geruime tijd niet meer. Misschien omdat het te negatief en te generaliserend is. Er zijn nu eenmaal commissies die wel degelijk belangrijk en goed werk doen. Die nuttige adviezen formuleren en bruikbare oplossingen aandragen voor bepaalde problemen. Maar het neemt niet weg dat er ontegenzeggelijk een kern van waarheid zit in datgene waarop het grapje wil attenderen. Er zijn van die commissies die een hoop papier produceren waarmee je niets anders kunt doen dan het in de onderste la van je bureau stoppen. Er zijn ook commissies die als een moeras functioneren. Een probleem dat je kwijt wilt kun je erin deponeren, omdat je weet dat het er nooit meer uit komt. Wanneer men tegenstanders en voorstanders van een bepaalde maatregel bij elkaar in een commissie zet om een advies uit te brengen over de invoering ervan, dan weet je dat het een langdurig proces gaat worden. Uiteindelijk komt er dan nogal eens een rapport uit waarop de tegenstanders nog net geen "nee"  kunnen zeggen en de voorstanders nog net wel "ja". Een stuk waarmee niemand wat opschiet  en de oplossing geen milimeter dichterbij brengt. Het resultaat is een hoeveelheid bedrukt papier vol vaagheden waarin iedereen kan lezen wat hij wil. Sommigen weten daar handig gebruik van te maken. Zodra er een, hun onwelgevallig, besluit dreigt te worden genomen, stellen ze voor om het probleem eerst eens door een commissie te laten bekijken alvorens een beslissing te nemen. Het enige wat dan wordt beoogd is: de zaak traineren in de hoop dat van het aldus verkregen uitstel een keer afstel komt

Het ziet ernaar uit dat men zelfs in bijbelse tijden al van dat mechanisme op de hoogte was. U kunt daarover iets lezen in het boek Ezra. Dit oud-testametische bijbelboek bevat het verhaal over een man die na afloop van de joodse Babylonische ballingschap, in opdracht van de Perziche koning Artachsasta, naar Jeruzalem komt om de stad en de tempel te herbouwen. Zijn naam is Ezra. Hij was een joods schrifgeleerde die adviseur voor judese zaken was aan het hof van de Perzische koning. Deze Ezra is van grote betekenis geweest voor de restoratie van Israxebl na de zeventig jaren durende ballingschap in Babylon. Zo hernieuwde hij de tora lezingen in Jeruzalem. Oud-testamentici nemen vaak aan dat het Ezra was die de verspreide geschriften die in die dagen in omloop waren, en aan Mozes werden toegeschreven, heeft verzameld en zo in feite de tora ( de eerste vijf boeken van het oude testament ) zoals wij die kenen, heeft samengesteld. Ezra voerde ook de joodse feesten weer in. Hij was, wat wij wellicht een "ijveraar der wet" zouden noemen. Nu was in Ezra’s ogen het grote nationale probleem, dat de identiteit van het joodse volk bedreigde, de gemengde huwelijken die de joodse mannen, die hij bij zijn aankomst in Israxebl aantrof, hadden gesloten met niet-joodse vrouwen. Dit probleem diende volgens hem onverwijld en drastisch te worden aangepakt. Het heilige zaad van Gods uitverkoren volk had zich vermengd met vreemde volkeren. En dit betrof niet alleen het gewone volk, maar ook de elite, zelfs de priesters. Hij roept een bijeenkomst samen van gezagsgetrouwe joden om de zaak te bespreken. Er wordt voorgesteld om een oproep te doen aan alle joodse mannen om hun uitheemse vrouwen met hun kinderen te verstoten en het land uit te sturen. Kennelijk waren er onvoldoende mensen aanwezig om een bindend besluit te nemen. In Ezra 10 v.a. 7 lezen we hoe Ezra vervolgens beveelt dat het gehele volk binnen drie dag bijeen moet komen om hierover een beslissing te nemen. Om er zeker van te zijn dat ze er allemaal zullen zijn stelt hij zware sancties in het vooruitzicht tegen degenen die dit willen sabboteren. Wie niet verschijnt wordt uit de gemeenschap gestoten en zijn goederen verbeurd verklaard, zo dreigt hij. Binnen drie dagen verzamelen de afgevaardigden van alle geslachten zich op het tempelplein. Dan staat er heel plastisch: "Ze rilden van angst voor wat er zou gebeuren, en van de stortregen". Ze huiveren dus niet alleen vanwege de winterregens die de stad overspoelen, maar vooral vanwege de zaak die aan de orde is en de consequenties die dit zal hebben voor hun gezinnen vanwege het besluit waartoe Ezra hen wil dwingen. Nu neem ik aan dat er een aantal orthodoxe joodse mannen waren die er geen been in zagen om van de ene op de andere  dag, hun niet-ras-zuivere vrouwen met hun half-bloed kinderen het huis uit te zetten. Maar evenzeer ben ik ervan overtuigd dat de meerderheid van de mannen zo zielsveel van hun gojse vrouwen en kinderen van gemengd bloed hielden, dat ze het vertikten ze de straat op te schoppen. Trouwens waarom eigenlijk? Nergens in de bijbel is een verbod tot rassenmenging te vinden. Interraciale huwelijken kom je op talloze plaatsen tegen in het Oude Testament. Denk allen maar eens aan het verhaal van Ruth.Ten tijde van het apartheidsregime in Zuid Afrika hebben de apartheidspredikers tevergeefs gepoogd een bijbels fundament te leggen onder hun verderfelijke rassenpolitiek. Het is goed dat te beseffen. In Nederland zijn interculturele huwelijken tegenwoordig schering en inslag. Volgens cijfers van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Genootschap zijn er van de circa 86 000 huwelijken die jaarlijks worden gesloten, 26 000 die plaats vinden tussen twee culturen. Dat aantal neemt waarschijnlijk verder toe. Culturen en rassen mengen zich wereldwijd steeds meer en daar is niets mis mee. Interraciale huwelijken kunnen een verrijking zijn voor een samenleving. Ze brengen culturen samen. Als het goed gaat tenminste. Daar zit wel een probleem want uit de statistieken blijkt dat in de praktijk interculturele huwelijken twee keer zoveel kans lopen te stranden, als huwelijken tussen twee partners van dezelfde cultuur. Maar dit komt voornamelijk doordat men van te voren geen goede afspraken maakt en nalaat zich van te voren te verdiepen in de achtergrond van de partner en problemen die men daaruit kan verwachten tijdig met elkaar te bespreken. Als dat goed gebeurd hoeft er niets een intercultureel huwelijk in de weg te staan.

Hoe is het de joodse vaders met hun kinderen van gemengd bloed op dat tempelplein onder de ogen van Ezra vergaan? Ze doen een geniale vondst. Na Ezra eerst flink naar de mond gepraat te hebben, stellen ze voor om een regeringscommissie van oudsten ( "leiders" staat er in de nieuwste vertaling ) te vormen die op "vastgestelde tijden" (Ezra 10 :14 e.v.) zullen gaan vergaderen en overleg plegen met de de oudsten en de rechters in al onze steden. Een geweldig voorstel. Zonder Ezra voor het hoofd te stoten wordt de hele zaak zodanig op de lange baan geschoven dat er van het voorstel uiteindelijk niets terecht zal komen. Kennelijk hebben degenen die het voorstel steunen de overhand, want het voorstel wordt met overgrote meerderheid aangenomen. "Alleen Jonatan, de zoon van Asaxebl, en Jachzeja, de zoon van Tikwa, verzetten zich hiertegen. Ze werden gesteund door Messuullam en de leviet Sabbetai", staat er in vers 14. Dit wordt ten overvloede kennelijk vermeld om aan te geven hoe groot de steun is voor het voorstel om de zaak te verwijzen naar een commissie van wijze mannen. Wat we verder te lezen krijgen is een lijst met namen van degenen die gehuwd zijn met niet-joodse vrouwen. Kennelijk is dit het rapport geweest van de commissie die zich vele maanden lang heeft gebogen over het probleem van deze interraciale huwelijken. Verder horen we er niets meer van. Zo stierf het voorstel van Ezra, om alle multiculturele huwelijken te ontbinden en in het vervolg te verbieden, een langzame dood. Wie vandaag Israxebl bezoekt ziet Asjkenazische joden, afkomstig uit Europa, met blond haar en blauwe ogen, Sefardische en Jemenietische joden met een lichtbruine teint en donker krullen haar. Falasja’s, de joden uit Ethiopixeb, met een negroxefde zwarte huidskleur en kroeshaar. Een teken dat van de plannen tot rassenscheiding van Ezra nooit iets is terecht gekomen.                               

                                                    K.C.van Oossanen

DIT ARTIKEL HEEFT OORSPRONKELIJK IN VERKORTE VORM IN HET ADVENTISTISCHE TIJDSCHRIFT "ADVENT" GESTAAN EN IS NU AANGEVULD MET RECENTE GEGEVENS

5 September 2007
By on 12:54
DE VREEMDELING IN UW POORTEN.

DE VREEMDELING IN UW POORTEN.

xc9xe9n van de meest aangrijpende verhalen uit het Oude Testament is ongetwijfeld het verhaal van Rizpa. Rizpa was eens xe9xe9n van de bijvrouwen van koning Saul gedurende de glorietijd van deze eerste koning van Israxebl. U kunt het verhaal lezen in 2 Samuxebl 21. Het is een afschuwelijke geschiedenis, die aantoont waartoe de uiterste consequentie van vreemdelingenhaat en racisme uiteindelijk kunnen voeren. Daarom is de boodschap die in deze bijbelvertelling ligt besloten juist vandaag weer uitermate actueel. Hoe luidt het verhaal?

Koning David bespeurde op een gegeven ogenblik dat de verhouding tussen het volk Israxebl en God ernstig was verstoord. Hij probeerde er vervolgens achter te komen wat er was mis gegaan. Dan verneemt hij van de allerhoogste dat er een bloedvloek op het land rust vanwege een groot onrecht  dat zijn voorganger, koning Saul, de Gibeonieten heeft aangedaan.

Wie waren deze Gibeoniten, waarvan God zich kennelijk het lot zo ernstig aantrok dat onrecht dat hen was aangedaan, Zijn relatie met zijn eigen volk verstoorde?

De Gibeonieten waren in Saul’s dagen, een niet-joodse minderheid in het land Israxebl.  Wij zouden tegenwoordig van een etnische minderheid spreken. Zij dankten hun voortbestaan aan een slimmigheidje van hun leiders in de onderhandelingen met Jozua, toen deze aan hoofd van de legerscharen van Israxebl, het land Kanaxe4n binnentrok. Het verslag van die gebeurtenis kunt u lezen in Jozua 9. We weten dat Jozua alvorens hij het beloofde land binnentrok, naast de toezegging dat hij namens God het land Kanaxe4n voor Israxebl in bezit mocht nemen, ook de opdracht kreeg om alle volkeren die op dat moment in dat land woonden te verjagen of, als dat niet anders kon, desnoods uit te roeien. Tijdens die triomfantelijke intocht van Jozua en diens zegevierende legerscharen ontstaat er grote paniek onder de oorspronkelijke bewoners van Kanaxe4n. Ze horen van de val van het machtige Jericho en vernemen wat er met de bevolking van die stad was gebeurd. Dan lezen we dat de leiders van een kleine Kanaxe4nitische stam de, Chiwwieten uit de streek Gibeon, een list verzinnen. Ze komen al vleiend en pluimstrijkend Saul opzoeken en geven daarbij de indruk dat ze van heel ver weg, ver buiten de landsgrenzen van Kanaxe4n, vandaan komen en zien kans om Saul een vriendschapsverbond af te troggelen. Toen kort daarop de troepen van Jozua  binnen de grenzen van Kanaxe4n, de steden bereikten waar deze Gibeonieten woonden, kwamen de leiders van dat volk tevoorschijn met het onlangs gesloten verdrag waarin Jozua beloofd had om de Gibeonieten ongemoeid te laten. Het leger van Israxebl mopperde hartgrondig. Dit verbond is niet geldig, want het is op basis  van een onjuiste voorstelling van zaken gesloten, stelden ze. Men rook prooi en wilde de steden plunderen. Maar Jozua was duidelijk: "Wij hebben hun gezworen bij de Heer, de God van Israxebl, daarom moeten wij ze in leven laten, want anders komt er onheil over ons vanwege het verbreken van een eed". De Gibeonieten stelden zich heel deemoedig op, omdat ze maar al te goed beseften hoe kwetsbaar hun positie was. "Wij zijn in Uw macht", zeggen zij. "Doe met uw dienaren wat naar uw oordeel goed en rechtvaardig is". De bijbel vertelt ons dan: "En Jozua deed dat. Hij beschermde hen tegen de Israxeblieten: hij doodde hen niet". Zo werden de Gibeonieten een etnische minderheid in het land Israxebl. Makkelijk hadden ze het niet. Hun werd medegedeeld dat ze geen land mochten bezitten en uitsluitend dienstwerk mochten verrichten voor hun Israxeblietische meesters. Houthakkers en waterputters, landarbeiders  sjouwermannen, lezen we in Jozua 9. Vierhonderd jaar leefden ze zo, hun ondergeschikte taken vervullende, ongestoord in vrede te midden van de Israxeblieten. Niemand waagde het om het woord dat Jozua eenmaal onder aanroeping van Gods naam gegeven had, in te  trekken.

Totdat Saul koning wordt. Na de Richteren tijd was het volk door een periode van crisis en vernedering gegaan. Het volk Israxebl roept om een sterke man, een koning. Wanneer God hun ter wille is en Saul tot koning laat zalven, zijn de verwachtingen hoog gespannen. Een vernieuwd nationaal bewustzijn maakt zich meester van het volk. Israxebl eist zijn plaats op onder de volkeren van het Midden-Oosten en wil zich niet meer laten knechten door Filistijnen, Ammonieten en Moabieten. Na aanvankelijke successen gaat het mis met Saul en God trekt zich van hem terug.  De hooggespannen verwachtingen van het volk kan Saul dan niet meer waarmaken. De kroon blijkt Saul niet meer zo stevig op het hoofd te staan. Regelmatig moet hij het hoofd bieden aan paleisrevoluties. In die laatste fase van zijn koningschap heeft hij de steun van de profeet Samuxebl verspeeld en ook het volk verliest het geloof in hem. Hij heeft het gevoel dat de troon onder hem wankelt en zijn opvolger David is al verschenen aan de horizon. Dan grijpt hij een beproefd demagogisch middel dat tot op de dag van vandaag graag gebruikt wordt door mensen die politieke doeleinden nastreven. Saul gaat inspelen op een soort fanatiek nationalisme, en op de blijkbaar altijd in ieder volk latent aanwezige vreemdelingenhaat. Ook wij kennen dat maar al te goed uit ons recente verleden. "Blut und Bodem" "Volk en Vaderland","Eigen volk eerst". Saul heeft een zondebok nodig, die hij de schuld kan geven van alle narigheid en ellende waaraan Israxebl bloot staat, nu het met de oorlog tegen de Filistijnen niet zo verloopt als men had gehoopt. Hij projecteert alle onvrede, teleurstelling en agressie op een duidelijk aanwijsbare niet autochtone groep, "de vreemdeling in de poorten van Israxebl", de Gibeonieten. Saul trekt zich ineens niets meer aan van dat door Jozua, onder het aanroepen van Gods naam, gesloten verbond en richt een ware slachting aan onder de weerloze Gibeonieten. Het volk vindt dat prachtig. Het was immers hun land, hun door Israxebls God geschonken? Waarom waren die vreemdelingen er eigenlijk? Die hoorden hier niet. Ze eten van onze tafel, nemen werk uit handen van de echte Israxeblieten. Weg die klaplopers en opvreters. De Gibeonieten die het bloedbad weten te overleven zijn ten prooi aan vervolging, discriminatie en constante vernedering. Als er xe9xe9n ding duidelijk wordt uit dit verhaal is het wel dit:" Een land of volk dat zo omgaat met medemensen die in hun midden wonen, glijdt af naar de afgrond". Op maatschappij waarin een volk leeft dat zich zo gedraagt kan geen zegen rusten. God trekt dan ook Zijn bescherming terug van Israxebl. Hun legers worden door de Filistijnen bloedig verslagen. Sauls zonen sneuvelen en Saul zelf stort zich in zijn eigen zwaard op de hellingen van Gilboa.

Wanneer David daarna de troon overneemt als opvolger van Saul, erft hij een geruxefneerd land. Hij wordt geconfronteerd met een hongersnood die drie jaar duurt. Er rust geen zegen meer op het land en het volk, dat is duidelijk. David probeert er achter te komen waarom God Zijn zegen niet meer wil geven aan Israxebl. Volgens 2 Samuxebl 21 krijgt hij antwoord op die vraag. God vertelt hem dat er een vloek over het land ligt vanwege het onrecht dat Saul de Gibeonieten heeft aangedaan. David besluit meteen pogingen te ondernemen om de vloek op te heffen en roept vertegenwoordigers van de Gibeonieten bij zich. Hij vraagt hen: "Wat kan ik doen? Waarmee kan ik verzoening bewerkstelligen?" Daarmee haalt hij een legerschare demonen uit hun kooi. De moordpartijen, discriminatie en vernedering waaraan zij hadden bloot gestaan hadden zoveel diabolische haatgevoelens opgewekt bij de Gibeonieten, dat ze dorsten naar bloed. Wat nu los komt is even afschuwelijk als de wreedheden die Saul eens beging om de volksgunst te herwinnen." Lever zeven van Sauls mannelijke nakomelingen aan ons uit, dan zullen wij die in Sauls woonplaats terechtstellen en ophangen ten overstaan van de Heer, die ooit Saul had uitverkoren", is  hun eis. Hier had David, de herderskoning, moeten ingrijpen. Dit kan niet. Onschuldige kinderen, die part nog deel hadden aan de moordpartijen van Saul, uitleveren aan de bloeddorstige van haat vervulde leiders der Gibeonieten, mag niet. Misschien kwam het David  wel goed uit om zich op die manier te ontdoen van een aantal prinsen, die wellicht ooit eens aanspraak konden maken op de troon, die hij nu bezet. In ieder geval trapt hij nu niet op de rem, maar willigt de wensen van de Gibeonieten in. Zo overvallen in de nacht mannen het huis van Rispa, een van de bijvrouwen van Saul waarbij hij zonen had verwekt, en twee kinderen worden uit de armen van hun moeder gerukt. Ze slepen ze naar de hellingen van Gibea, waar ze worden opgehangen. Rispa is gek van verdriet. Ze houdt de dodenwacht onder de galg bij de bengelende lijken van haar kinderen. "S Nachts jaagt ze de jakhalzen weg en overdag de aasgieren.

Dit afgrijselijke verhaal vertelt ons ook waartoe mensen soms kunnen komen als ze vernederd en gediscrimineerd worden. Zeker als dat is om hun etnische afkomst, hun geloof, hun ras of sekse gaat. Maar het gaat ook over degenen die menen anderen te kunnen wegzetten en discrimineren om hun etnische afkomst, hun ras of hun religie. De bijbel heeft zich daartegen duidelijk uitgesproken. In de instructies die God aan Zijn volk gaf in de Tora, stond dat al duidelijk toen Saul besloot de Gibeonieten te gebruiken als zondebok voor alles wat er mis ging in zijn rijk.

En het staat er nog steeds voor ons allemaal. U kunt het lezen in Leviticus 19:34; "Iemand die als vreemdeling in jullie land verblijft, mag je niet onderdrukken. Behandel vreemdelingen die bij jullie wonen als geboren Israxeblieten. Hebt hen lief als jezelf, want jullie zij zelf vreemdelingen geweest in Egypte. Ik ben de Heer jullie God". In Deuteronomium wordt dat nog eens herhaald:"Je zult de vreemdeling liefde bewijzen, want vreemdeling ben je ooit zelf geweest in het land Egypte". Eens werden jullie zelf verdrukt in een vreemd land, dat mag de vreemdeling  in Israxebl nooit overkomen. Hoe is het mogelijk dat Saul dat vergat?

Of kunnen we ook stellen: "Hoe is het mogelijk dat sommige Nederlanders dat niet meer weten?" De ouderen onder ons hebben gezien wat er gebeurde in de laatste wereldoorlog toen door de nacht de goederentreinen vol door de machthebbers ongewenste mensen naar de gaskamers reden. Daarom is het wellicht goed om het nog eens te herhalen: een volk dat de vreemdeling binnen zijn poorten vernedert, vervolgt of discrimineert, kan op geen enkele wijze aanspraak maken op de zegen van God.

                                                                                          K.C.van Oossanen

Dit artikel is enigszins andere en kortere vorm stond in Advent no. 3 in 1997

3 August 2007
By on 15:25
SABBAT,EEN MONUMENT IN DE TIJD.

SABBAT, EEN MONUMENT IN DE TIJD.

Sinds de Christen Unie regeringspartij is geworden, ligt het in de lijn der verwachtingen dat de overheid zal gaan proberen de winkelsluitingswet voor de zondag nog wat verder aan te scherpen. In ieder geval  kan men er wel van uitgaan dat deze niet zal worden versoepeld.

Hoe komt het toch dat bepaalde groepen rechtszinnige christenen altijd maar weer hun zondagsheiliging aan anderen willen opdringen? Er zijn in ons land bijna xe9xe9n miljoen moslims. Voor hen is de vrijdag een bijzondere vierdag . Daarnaast zijn er vele orthodoxe joden, voor wie de sabbat op zaterdag een heilige dag is. Op die dag onthouden zij zich van werkzaamheden. Maar er zijn ook nogal wat protestanten, en niet alleen Zevende-dags Adventisten, die ook de zaterdag beschouwen als een door God geheiligde dag die men dient te eerbiedigen. Toch hebben noch  moslims noch joden of sabbatvierende protestanten, ooit verlangd dat op de door hen geheiligde dag de winkels dicht moesten en allerlei activiteiten achterwege blijven omdat anders hun vierdag zou worden verstoord. Als we blijven volhouden dat er in ons land een strikte scheiding bestaat tussen kerk en staat, stuiten we meteen op de vraag of een protestantse politieke partij haar invloed mag aan wenden om de gehele Nederlandse bevolking de Zondag te laten respecteren. Ook waar het niet-christenen, arthexefsten of andersdenkenden betreft. Zou het niet veeleer getuigen van een strikte scheiding tussen kerk en staat wanneer de staat zich hiermee in het geheel niet zou bemoeien? Wanneer het een ieder vrij zou staan om zijn bedrijf te sluiten op de dag die volgens de eigen individuele geloofsovertuiging dient te worden gexeberbiedigd, terwijl andersdenkenden de vrijheid hebben om hun zaak op die dag open te houden? Dit is in de Verenigde Staten van Amerika al sinds haar ontstaan het geval.

Als argument voor een strikte naleving van de zondagwinkelsluitingswet wordt nogal eens gesteld dat deze wet nodig is omdat het de mens in de gelegenheid stelt om xe9xe9n dag in de week rust te nemen. In deze opgejaagde en rusteloze tijd dient dit wettelijk geregeld te worden. De vraag die daarbij terecht gesteld kan worden is; "Moet zoiets geregeld worden in een winkelsluitingswet voor de zondag?" Het recht op een vrije dag in de week kan veel beter geregeld worden in een arbeidswet en deze dient dan alleen maar te bepalen dat ieder mens recht heeft op tenminste xe9xe9n vrije dag in de week, zonder voor te schrijven welke dag dat zou moeten zijn. Aan de werkgever en de werknemer kan dan worden overgelaten om hierover afspraken te maken die vastgelegd kunnen worden in een arbeidsovereenkomst. Betreft het hier een vaste dag in de week of een roulerende dag? Daarover valt dan te onderhandelen. Voor de zondagvierders zal dat de zondag zijn en voor niet-zondagvierders kan dat een andere dag zijn. Het is niet aan de overheids om te bepalen welke dag van de week men een vrije dag dient te nemen.

Dat  winkeliers een deel van hun omzet missen, indien ze vanwege hun geloofsprincipe hun zaak op zondag dicht houden; terwijl anderen wel hun winkel open hebben, is volgens mij evenmin een steekhoudend argument. Voor een geloofsprincipe moet men bereid zijn om offers te brengen. Degene die de sabbat vieren op zaterdag, de zevende dag van de week, doen dat al vele decennia. De overheid heeft niet de taak om aanhangers van een bepaalde religie te vrijwaren van de consequenties van hun geloofsovertuiging, door anderen die deze geloofsrichting niet zijn aangedaan, wettelijke beperkingen op te leggen.

Christenen dienen zich overigens ook niet op de bijbel te beroepen wanneer ze om godsdienstige redenen een strikte naleving van de zondagsrust bepleiten. Nergens in de bijbel is ook maar de geringste verwijzing te vinden die aanleiding zou geven tot het vieren van de zondag, de eerste dag van de week. Het vieren van de zondag als vervanging van de sabbat, de zevende dag van de week, zoals vermeld staat in de tien geboden, duikt pas op nadat de canon van het Nieuwe Testament al lang was afgesloten. De meeste kerkhistorici zijn er van overtuigd dat de oorsprong van de zondagsheiliging ligt in het voorchristelijk heidense verleden van de westerse cultuur. Het argument voor de zondagsviering wordt dan ook door de meeste theologen niet gezocht in een trouw aan de tien geboden, maar in het feit dat Jezus Christus, volgens het Nieuwe Testament, op de eerste dag van de week is opgestaan. Op zondag viert men dus niet de wekelijkse rustdag zoals die door de tien geboden wordt voorgeschreven, maar gedenkt men de opstanding van Christus. Nu is de opstanding van Christus een van de kernwaarheden van het christelijke geloof. Het is daarom best mogelijk dat de eerste christenen op de eerste dag van de week ( ze kwamen volgens Hand.2:46 immers dagelijks bijeen) stil hebben gestaan bij de opstanding van hun Heer. Maar nergens is ook maar de geringste aanwijzing dat dit de wekelijkse rustdag werd die de plaats ging innemen van de zevende dag, de sabbat, als herinneringsteken van de schepping. Dit is pas eeuwen later geregeld op een concilie van kerkleiders. Vaak wordt door zondagvierders tegen sabbat vierende christenen gezegd: "Jullie vieren de dag van de schepping, wij de dag van de herschepping, in de opstandingsdag van Christus". Voor iedere rechtzinnige christen is het zonder meer duidelijk dat het geloof in de offerdood van Christus aan het kruis op vrijdag en de opstanding van Christus op zondag een zeer essentieel onderdeel is van het christelijke geloofsbezit. Ook Adventisten hechten daaraan grote waarde en onderschrijven dat christelijke dogma van ganser harte. In het Nieuwe Testament wordt het belang hiervan voor de gelovige aangegeven in de rituelen rondom doop en avondmaal. Maar dit mag er echter nooit toe leiden dat men het grote monument van de schepping, de door God ingestelde sabbat op de zevende dag van de week, gaat afschaffen. Het recht daartoe is nergens in de bijbel aan de glovigen gegeven.

Het verhaal van de bijbel begint met het wonder van de schepping. We lezen daar ( in het Genesis verhaal ) dat in zes scheppingsdagen de wereld, met daarop al wat leeft en alles wat nodig is om op aarde te kunnen leven, heeft geschapen. Aan het eind van de scheppingsweek, als de wereld vol planten en dieren al tot stand is gekomen, wordt ook de mens geschapen. Deze krijgt dan de opdracht om dit kostbare bezit van God te beheren. De mens wordt duidelijk niet de eigenaar, maar de beheerder, de rentmeester, van Gods schepping. Hij dient aan God de verantwoording af te leggen voor de wijze waarop hij met die schepping omgaat. Opdat hij zich voortdurend zal herinneren dat hij niet de eigenaar is van al dat moois, maar de beheerder, wordt hem de verplichting opgelegd om aan het einde van iedere werkweek, op de door God aangewezen dag, de zevende, zijn werk neer te leggen en zich bezig te houden met Degene die hemel en aarde geschapen heeft. Op die dag staat voor de mens de schepper en diens schepping centraal en niet zijn eigen besognes. Het is het monument dat God heeft opgericht ter herdenking van de schepper en het werk van Zijn handen. Geen monument in steen gebeiteld, maar gehouwen in "de tijd". Dat monument is daardoor niet aan een plaats gebonden, maar gaat mee met de mens waarheen hij zich ook begeeft in Gods schepping.

Kennelijk hebben veel christenen het er moeilijk mee om dat monument, dat hen voortdurend inprent dat ze rentmeesters zijn van de wereld waarin ze leven en waarvoor ze verantwoordelijk zijn tegenover de schepper, vast te houden. Op een gegeven ogenblik zijn mensen er zelfs toe over gegaan om deze sabbat maar helemaal af te schaffen en te vervangen door iets anders, de opstandingsdag van Christus. Het belang om dat te vieren op de eerste dag van de week stellen ze dan boven de door de schepper zelf ingestelde sabbat op de zevende dag van de week. Op de sabbat gaat het om de schepper en de schepping, op zondag gaat het om de mens en zijn zaligheid. Op zondag is het de mens zelf die centraal staat en niet meer de schepper van hemel en aarde. Alle schepselen van God, buiten de mens om, spelen daarin niet meer mee. Op sabbat gaat het daarentegen om de schepper en alles wat Hij geschapen heeft. Het sabbatgebod uit Exodus 20 ( vers 10 ) maakt dat meteeen duidelijk. Hierin wordt uitdrukkelijk vermeld dat de dieren, die van de mens afhankelijk zijn, ook betrokken moeten worden in de rust van de sabbat. Het is de totale schepping, inclusief de mens, die de zegen van de sabbat ontvangt indien men de zevende dag van de week als rustdag eerbiedigd.

Het gevaar bestaat dat zodra je de mens losmaakt van de schepping bij hem ook het idee van het rentmeesterschap gaat vervagen. Misschien  zien we daarvan de gevolgen in de roofbouw van de schepping en de wijze waarop wij met onze medeschepselen, de dieren, omgaan.

In het laatste bijbelboek, de Openbaring, wordt een prachtig visioen van Johannes ( een van de discipelen van Jezus ) beschreven in Openbarin 14: 6-8. Hij ziet daarin dat ergens in de toekomst, aan het einde der tijden, een engel boven de aarde vliegt, die luidkeels verkondigt, aan alle landen en volken" dat we "Hem die de hemel en de aarde, de zee en de waterbronnen geschapen heeft" weer moeten gaan aanbidden. Wellicht  mogen we daarin een oproep zien, om dat door God zelf in de tijd uitgehouwen monument, de sabbat, weer de ereplaats in ons leven te geven die het toekomt.

                                                                                         K.C.van Oossanen

9 July 2007
By on 16:59
DE DORSENDE OS.

Deze column heeft oorspronkelijk in het Adventistische maandblad ADVENT in de rubriek"Terzijde"gestaan, in het Juli ( no.7) nummer 2001. Gezien de ophef die er in de media recentelijk gemaakt werd over de z.g. verbintenis van de Zevende-dags Adventisten met de Partij van de Dieren, leek het me voor de gexefnteresseerde lezers misschien wel interressant om nog eens te lezen wat in mijn collums ooit werd geschreven over de houding die wij als gelovige bijbels georixebnteerde christenen, mijns insziens, dienen aan te nemen tegenover onze medeschepselen, de dieren. U dient bij het lezen van de colllumn in gedachten te houden dat deze werd geschreven naar aanleiding van de MKZ crisis die in dat jaar ervoor zorgde  dat  op grote schaal dieren werden afgemaakt.

DE DORSENDE OS.

Sinds de uitbraak van MKZ, mond en klauwzeer, staat half Nederland op z’n achterste benen vanwege het wrede lot dat onze veestapel wacht in het met een eufemisme aangeduide "geruimde gebieden". Een oprisping van niet geheel van schijnheiligheid ontdane vorm van dierenliefde van boeren die, met geen ander oogmerk dan winst te maken voor hun bedrijven, een paar weken later hun slachtvee toch wel naar het abattoir hadden vervoerd. Ook was er sprake van een soort publieke schijnheiligheid, waarvan we ook al getuige waren toen de minister onder druk van de publieke opinie aankondigde dat hij, overigens geheel terecht, het fokken van nertsen om hun vacht in de nabije toekomst wilde gaan verbieden. Het publiek gaat er dan voor het gemak en eigen zielenrust aan voorbij dat men zich nog nooit iets heeft aangetrokken van de ellendige manier waarop al vele tietallen jaren in Nederland dieren worden gehouden en omgebracht. Kennelijk beseft niemand hoeveel dieren er in ons land ten behoeve van de menselijke consumptie worden gemarteld en afgeslacht. Vorig jaar werden 18 miljoen varkens geslacht meestal na een erbarmelijk bestaan in volgepakte stallen en vaak zonder ooit daglicht te hebben gezien. Dit jaar wachten eenzelfde aantal hetzelfde lot. Ruim een miljoen koeien werden uit hun lijden verlost in onze slachthuizen. Zevenhonderd  duizend schapen werdenvakkundig gekeeld en verschenen in ee vorm van lamsboutjes en koteletten op de Europese markt.Wat denkt u van het onvoorstelbare aantal van vierhonderd miljoen mestkuikens? Juist de manier waarop we met pluimvee omgaan illustreert de waanzin van de bio-industrie. Een moderne kippenfokker gebruikt tegenwoordig computermodellen om uit te rekenen wat een gunstge "voerconversie" is voor zijn bedrijf. Conversie betekent gewoon "omzetting". Kippen zetten n.l.voedsel om in vlees. Als een kip anderhalve kilo voer naar binnen heeft gewerkt en daardoor een kilo zwaarder is geworden, heeft de boer een goede "voerconversie" bereikt voor zijn pluimvee. Om ervoor te zorgden dat ze flink eten, zorgt de boer dat de dieren niet kunnen worden afgeleid van hun enige taak: zo snel mogelijk het slachtgewicht bereiken. Daarom  blijven de lampen dag en nacht branden in de stallen. Want als kippen slapen kunnen ze niet eten. De boer calculeert daarbij in, dat er dagelijks tussen de 15 en 20 kuikens dood worden aangetroffen. Ze hebben zich letterlijk kapot gevreten. Minder dan 15 betekent dat hij de lopende band met het voer een tandje snerller moet zetten, meer dan 20 wordt het wat zorgelijk. In een gemiddelde kippenloods gaan ongeveer dertigduizend kuikens, die binnen zes weken hun slachtgewicht bereiken. Daarna zakken ze gewoon door de poten vanwege het bereikte gewicht. In de laatste dagen van hun ellendig bestaan kunnen ze alleen over elkaars rug de voerbakken bereiken  omdat er vrijwel geen ruimte meer is om zich te bewegen. Daarna worden ze afgevoerd en in een gemechaniseerd slachtbedrijf verwerkt tot kippenboutjes. Aan de poten opgehangen worden ze met de kop naar beneden aan een lopende band langs een snel draaiende cirkelzaak gevoerd en de keel doorgesneden. Inmiddels zit de stal van de pluimveefokker al weer vol met zo’n dertigduizend nieuwe donzige bolletjes uit een gemechaniseerde broedmachine. De boer moet productie maken om overeind te blijven in de concurrentieslag en ervoor zorgen dat hij de klandizie van de supermarkten niet verliest. Die vragen om steeds scherpere prijzen. Wellicht zou de boer het allemaal anders en meer diervriendelijk willen, maar hij kan niet anders omdat goedkoper kippenvlees uit Brazilixeb op de wereldmarkt tegen nog scherpere prijzen voorhanden is. Zo is de kip ontdierlijkt en geworden tot een stuk vlees op pootjes. Nu hebben we het nog steeds niet gehad over de weerzinwekkende legbaterijen waar miljoenen kippen in zulke kleine kooien zijn opgesloten, dat hun snavels moeten worden afgebrand omdat ze anders elkaar doodpikken van louter stress. Nu zijn de legbaterijen in ons land geleidelijk aan het verdwijnen, maar buiten Nederland is dat meestal niet het geval. In de varkenshoudereij en de kalvermesterij is het al niet veel anders. Zeugen liggen hun hele leven tussen twee ijzeren hekken waartussen ze zich net op hun zij kunnen keren. Ze moeten aan de lopende band biggen werpen. De biggetjes worden zo snel mogelijk gespeend. d.w.z. bij de moeder weggehaald en opgesloten in ijzeren kooien om voor de slacht te worden vetggemest. In Engeland heb ik eens op de televisie een reportage gezien waarin werd getoond hoe een boer alvorens hij de biggen in hun hokken deed, de mannetjes en de wijfjes uit elkaar haalde. De mannelijke biggen werden daarna onverdoofd met een soort stanleymes gecastreerd. Ook de staartjes werden verwijderd. Want uit frustratie gaan de dieren tegen de tijd dat ze geslachtrijp zijn, van verveling elkaar aanvreten. Ook gaat de smaak van het vlees van geslachtsrijpe mannetjes erop achtteruit, vandaar de castratie. Het gegil van de beestjes was mijlenver te horen. Ik nam toen in mijn argeloosheid aan dat zoiets natuurlijk niet in Nederland zou gebeuren. Inmidels weet ik beter.

Het enige voordeel van de MKZ crisis van dat ogenblik was dat het eindelijk tot de bevolking van Nederland gaat doordringen dat de veeteelt in ons land is geindustraliseerd. Boerderijen zijn fabrieken geworden en het slachten van dieren is tot gemechaniseerd lopende band werk verworden. een koe is geen dier en medeschepsel uit Gods hand meer, maar een melkmachine of een berg rundvlees. Wat hebben we gedaan met de schepping die God ons heeft toevertrouwd? De journaliste Marijke Hilhorst schreef eens in har column in Elsevier: " Het heeft veel weg van georganiseerde misdaad, gekoppeld aan georganiseerde onwetendheid". Het wordt daarom tijd dat wij als christenen duidelijk laten horen dat de mens zo niet met dieren, speciaal die van hem afhankelijk zijn geworden, mag omgaan.

Een van de ontroerende teksten in het oude testament, die te maken heeft met de relatie tussen de boer en zijn dieren, is te vinden in Deutr.25:4. Daar verbiedt God het om de ossen te muilkorven die op de dorsvloer de boer helpen bij het dorsen van zijn graan. Het dier mocht dus naar hartelust eten van het graan dat het hielp dorsen. Dit getuigt van respect voor het dier dat ons dient. Daarmee geeft de bijbel aan dat het dier recht heeft op toegang tot hetgeen de natuur ons geeft, op dezelfdewijze als de mens.

Adventisten hebben vanouds het vegetarisme als levensstijl voorgestaan. Helaas is daarbij steeds het aspect van de gezondheid vooropgesteld. Vegetarisme werd dus niet in de eerste plaats gestimuleert uit respect voor het dier, maar voornamelijk uit de zorg voor de eigen gezondheid. Dat is misschien wel de reden waarom het niet bij elke adventist is aangeslagen. Daarin zijn in het verleden soms onze joodse broeders ons vaak voorgegaan. Al in de vroege middeleeuwen leerde  Raji ( xe9xe9n van de beroemste commentatoren van de Tora) dat God de mens niet had toegestaan om levende wezens te doden om het vlees te kunnen eten. Een andere schriftgeleerde ( Moses Cassuto) leerde dat de Tora mensen toestaat om gebruik te maken van de diensten van dieren, maar niet om ze als voedsel te gebruiken. Als de Tora een wereld van planteneters voor ogen heeft, waarom staat de schrift mensen dan toe om vlees van reine dieren te eten, is dan de vraag die zich opdringt. De Poolse rebbe en geleerde. Isaac Hebensteit, geeft daarvoor de volgende verklaring. Hij stelde dat God niet wilde dat mensen vlees aten, maar dat Hij het voorwaardelijk toestond onder bepaalde restricties, toen na de zondvloed, in de tijd van Noach, men niet meer in staat was granen, fruit en groente te produceren. Toen echter de mens eenmaal de smaak van vlees te pakken had, was het helaas onmogelijk geworden om nog tot het vegetarisme terug te keren. Daarom zijn door God uiteindelijk de voedingsregels van Leviticus 11 gegeven.

In de Verenigde Staten van Amerika is een stroming in het jodendom onder leiding van rabbi Rami M.Shapiro die het vegetarisme voor joden, propageert. Hij stelt dat je dieren iet onnodig mag laten lijden en de natuur moedwillig vernietigen."Je moet bomen beschermen en ervoor zorgen dat de gulle gift van de aarde gezond blijft. Zoals God tegen Adam zei: Je moet mijn wereld onderhouden". Hij heeft het woor ECO-KASJROET ingevoerd. Eco-kasjroet is het onderhouden van Gods wereld, zegt hij. Voor hen die niet zover willen gaan dat ze absolute vegetarixebrs willen worden, stelt hij dat Eco-kasjroet ook kan betekenen: alleen producten van dierlijke herkomst eten van dieren die met respect en op een waardige en biologisch verantwoorden wijze zijn gehouden. Het hebreeuwse woord KOSJER ( rein) betekent eigenlijk:"GEPAST". Het gaat in de bijbel dus om dieren die op een gepaste manier door de mens zijn behandeld.

                                                                                  K.C.van Oossanen

Aanbevolen lectuur;  Minyan: Ten principles of jewish spiritual practice. Harmony Books New York 1998. Servire heeft hiervan ook een Nederlandse vertaling uitgegeven

13 June 2007
By on 15:45
EEN JAGER VOOR HET AANGEZICHT DES HEREN

Dit artikel werd in Avent geplaatst in het Juni nummer  (no 6 ) 2003 in de collumn :TERZIJDE. Ik heb hier de vrijheid genomen om iets uitgebreider op het onderwerp in te gaan.

Een jager voor het aangezicht der dieren

Een half jaar geleden werd de nieuwe Flora en Fauna wet ingevoerd in Nederland. Hieraan was 15 jaar steggelen in het parlement voorafgegaan, waarbij de jagers-lobby alles uit de kast haalde om de aanname te verhinderen. De wet verbiedt de jacht op vossen,ganzen en talloze andere in ons land nog in het  wild voorkomende dieren Er zijn echter een paar uitzonderingen in de wet vastgelegd. Zo is de mogelijkheid open gelaten om ontheffing te geven, indien aangetoond kan worden dat bepaalde dieren schade berokkenen aan de natuur of aan de boeren. Door organisaties, als "Vogelebescherming Nederland"."de Dierenbescherming"en vele anderen is de invoering van de wet met vreugde begroet. Model voor deze wet stond het acht jaar geleden ingevoerdee verbod op het jagen op wilde ganzen. Als gevolg van dit verbod kwam na verloop van tijd, volgens Dhr.E.Wanders van de "vogelbescherming", een uitgebalanceerd systeem tot stand van volledige en vaste vergoedingen aan boeren die last hadden van wilde ganzen. Ook werd voorzien in "ganzen-gedoogzones" en "ganzen-opvang gebieden". Het ging meteen de goede kant op. De wilde ganzen werden in het noorden van ons land talrijker en steeds tammer. Het was facinerend om te kijken naar de grote groepen ganzen die in ons land kwamen overwinteren, afkomstig van de toendra’s van noord Siberixeb en de moerassen van noord Skandinavixeb. Zo ontstond er in die die gebieden een nieuwe vorm van tourisme: "Het wilde ganzen kijken". Iets dergelijks moest nu ontstaan door de nieuwe fauna-en florawet voor alle andere in het wild levende dieren. Maar wat gebeurt er ineens? De Tweede Kamer wil, voordat de nieuwe wet zijn nut heeft kunnen bewijzen, de zaken alweer grotendeels terugdraaien en de jacht weer gaan vergemakkelijken. Ook zal de jacht op wilde ganzen weer worden toegestaan. Niet langer is de mogelijke schade die de dieren aanrichten het enige uitgangspunt voor de jacht, maar het "plezier"dat een kleine groep mensen aan de jacht beleeft. Daarmee werd de klok gewoon weer terug gezet. er wordt zelfs een motie ingediend door het CDA kamerlid  A.Schreijer-Pierik om "plezierjacht" in erkende natuurgebieden weer toe te staan. Tot verbijstering van allen, die het goed voorhebben met onze schaarse natuur, wordt de motie door een meerderhheid in de kamer gesteund. Stelt u  zich nu eens voor wat er nu gaat gebeuren. Aan ons natuurliefhebbers wordt gevraagd om ons in de natuurgebieden rustig te gedragen, geen honden mee te nemen en vooral op de paden te blijven; teneinde de in het wild levende dieren in deze gebieden niet te verontrusten. Hierdoor zouden de in het wild levende dieren gaan wennen aan de aanwezigheid van mensen en deels hun schuwe natuur verliezen. Maar als gevolg van de motie Schreijer-PIerik lopen er binnenkort wel groepjes in plus-four geklede met jaegergroen overtrokken jagers door de natuur te raggen, knallend met hun dubbelloops jachtgeweren, de dieren dood te schieten en de vogelstand op te jagen. Ongehoord. Alle argumenten die ertoe hebben geleid om te komen tot de onlangs ingevoerde flora- en faunawet blijken ineens niet meer te gelden.

Dit alles stelt de vraag aan de orde of wij als de rentmeesters van Gods schepping het recht hebben om, tot ons vermaak, onze medeschepselen, "de dieren" af te schieten. Wanneer we ons tot de bijbel wenden om een antwoord op deze vraag te vinden, dan zullen we ontdekken dat er niet veel rechtstreekse mededelingen in staan over het begrip "jacht".De eerste keer dat het word valt is in Gen.10:9. Hier gaat het over Nimrod, die een "geweldig jager"was. In de vorige vertalingen stond erbij :"voor het aangezicht des Heren". (in de ogen van de Heer ",geeft de Groot Nieuws Bijbel weer). Kenneijk was dat iets bijzonders. In dat hoofdstuk komen tientallen namen voor over vele geslachten. Maar alleen van Nimrod worden gezegd dat hij een jager was. Veel later horen we ook nog van Ezau, de zoon van Izaxe4k en Rebekka, dat hij  een uitstekend jager was (Gen. 25: 27)". "Ervaren in de jacht", zei de oude vertaling. Maar dan heb je het eigenlijk gehad. In de bijbel treft men dus uiterst sporadisch jagers aan en al helemaal geen verhalen over jachtpartijen. Dit in tegenstelling tot de omringende volkeren. Babylonixebrs, Soemerixebrs en voooral de Assyrixebrs hebben ons doormiddel van inscripties en in afbeeldingen laten zien hoe hun adel en hun vorsten met grote gretigheid het "jachtvermaak" bedreven.Toch werd ook in Israxebl de jacht op in het wild levende dieren wel beoefend. Dat blijkt uit de bepalingen in de Mozaxefsche wetten over de wijze waarop men met een door de jacht gedood dier moest omgaan  ( Lev.17:13 ). Nu is het duidelijk dat de jacht in het Oude Testament niet als een vermaak werd gezien. Men jaagde soms uit noodweer, omdat een dorpsgemeenschap of de kudde, waarvan ze afhankelijk was, bedreigd werd door roofdieren; of omdat hun oogst in gevaar kwam door in het wild levende herbivoren. ( Exod. 23 : 29 ) Het doden van dieren was voor de Israxeblieten een bittere nodzaak. In de Oud Testamentische tijden, en zeker na de zondvloed, waren bepaalde eiwitten die de mens nodig heeft voor de instandhouding van zijn lichaam, alleen maar te verkrijgen door het eten van vlees. Daarom kon de mens in die dagen niet overleven zonder dieren te doden. God gaf daarvoor tostemming, maar reguleerde dat wel;  zoals we kunnen lezen in Leviticus 11. Het is alsof God met die regels over rein en onrein wil zeggen:" je kunt maar niet alles wat leeft en voor je voeten komt meteen maar gaan opeten. En om jullie dat indachtig te maken leg Ik jullie deze beperkingen op". De offerdieren in de tempel werden meestal ook geconsumeerd, want men moest zuinig omspringen met dieren. Voor een nomadisch volk, zoals Israxebl aanvankelijk was, zijn dieren het kostbaarste bezit. Dieren vormen soms zelfs deel van de familie en verblijven in directe omgeving van de mensen. Er was in de dagen van de Aartsvaders en lange tijd daarna een band met de meetrekkende dieren die wij niet meer kennen. Daarom was het offeren van je dieren voor je zonden ook iets afschrikwekkends. Het maakte dat de mens een dier, dat bijna deel van je gezin uitmaakte, eigenhandig moest doden. De reactie die God voor ogen had, toen Hij de offerdienst instelde, was dat het de zondaar niet alleen tot inkeer bracht maar ook tot de verzuchting zou doen slaken:" Dat mag nooit meer gebeuren". Helaas is na de vestiging in Kanaxe4n dat element  op den duur volledig uit de offerdienst verdwenen. Vandaar dat God op een gegeven ogenblik door de mond van de profeet Jesaja zegt ( Jes 1:11 ):" Wat moet ik met al jullie offers? Ik heb genoeg van die schapen, de vetgemeste kalveren; het bloed van stieren, rammen en bokken wil ik niet meer". Zoals het toen functioneerde had God de offerdienst niet bedoeld.

Bij Zijn dood schaft Jezus die hele tempeldienst af, en het voorhang van het allerheiligste scheurt van boven naar beneden. Kort daarna vernietigen de Romeinen de tempel definitief. Op de plek waar eens deze tempel stond staat nu een van de meest heilige gebouwen van de Islam, zodat er ook geen kans is dat conservatieve fundamentalistische joden de tempeldienst met zijn offers weer in ere kunnen herstellen.

Deze zelfde houding tegenover dieren vinden we ook terug bij der jagersvolkeren elders op de globe. De Bosjesmannen van de Kalahari in Zuidelijk Afrika en de Aborigines in Australxeb, de Eskimo’s in de poolcirkel, verkeren allemaal in de omstandigheid dat ze voor bepaalde protexefnen afhankelijk zijn van dierlijke eiwitten en derhalve van de jacht. Ethnologen vertellen ons hoe de jacht bij deze volkeren gepaard gaat met respect en pixebteit. Zo kent men de ongeschreven regel dat men nooit meer dieren doodt dan strikt noodzakelijk is. Als men na de jacht over meer vlees beschikt dan men als gezin kan consumeren dan deelt men dit met anderen. Het mag nooit weggegooit worden. Vaak vraagt men na de jacht aan de geest van het gedode dier vergiffenis en na het maal geven de jagers in een rituele jachtdans aan hoezeer men het dier respecteerde en diens moed en uithoudingsvermogen bewonderde. Respect voor het dier en een zekere spijt dat men voor zijn levensonderhoud het dier heeft moeten doden, behoort tot de cultuur van deze natuurvolkeren. Iets van deze eerbied voor het dier dat men genoodzaakt had om te consumeren, vinden we b.v. terug in Exod. 23:19; 34:26. daar wordt het verboden om een bokje te koken in de melk van de moeder. Zoiets doet men gewoon niet. dat is wreed.

Daarom acht ik "plezier-jacht"verwerpelijk. Alleen het woord al stuit me tegen de borst. Ik kan me al helemaal niet voorstellen dat er mensen bestaan die er plezier aan beleven om medeschepselen overhoop te schieten. Misschien is het in Nederland, waar in natuurgebieden nergens meer een biologische evenwicht meer bestaat, van tijd tot tijd nodig om de wildstand uit te dunnen. Als dat echt zou moeten, laat dat dan gedaan worden door daartoe speciaal opgeleide boswachters met kennis van zaken, liefde voor de natuur en respect voor de in het wild levende dieren, maar niet door mensen die er een sardonisch genoegen in scheppen om dieren voor hun genoegen te vermoorden.

Misschien bedoelde de  Bijbel dat  wel toen Nimrod werd aangeduid als een groot jager;"VOOR HET AANGEZICHT DES HEREN".

                                                                                              K.C.van Oossanen

30 May 2007
By on 15:54
TOESTAAN WAT GOD VERBODEN HEEFT;OF VERBIEDEN WAT GOD HEEFT TOEGESTAAN

Enige tijd geleden maakte een groep adventistische studenten onder leiding van een docent een excursie naar een joodse synagoge in de omgeving van hun school. Aan de voorganger van de synagoge, een plaatselijk rabbijn, was gevraagd om voor de studenten een praatje te houden over het jodendom. Natuurlijk werd er door de joodse geestelijke uitvoerig stil gestaan bij de joodse feesten en de rituelen rondom geboorte, huwelijk en de dood. Het meest uitvoerig stond de rabbijn stil bij de gebruiken rondom de wekelijkse sabbat. Hij begreep dat dit sabbatvierende christenen bijzonder zou interesseren. Maar al gauw kwamen ook de regels omtrent rein en onrein voedsel aan de orde. De regels van de kasjroet. Omstandig legde de rabbijn uit, dat het daarbij niet alleen ging om het in de tora genoemde verschil tussen het vlees van reine en onreine dieren. Het heeft ook te maken met het gescheiden houden van voedsel dat vlees bevat en datgene waarin melkproducten zijn verwerkt. Dit vereist een dubbele keuken in elk joods orthodox gezin. xc9xe9n voor vleesspijzen en xe9xe9n voor melkspijzen. Even later ging ook een boekje van hand tot hand met de kasjroetlijst van levensmiddelen die kosher en niet kosher waren verklaard door het opperrabbinaat. Toen stak xe9xe9n van de adventistische studenten de vinger op om een vraag te stellen. Daarop legde de student uit dat wij als adventisten de regels omtrent gezond voedsel, zoals vermeld staat in Leviticus 11 en Deuteronomium 14, ook eerbiedigen. Maar, zo luidde zijn commentaar, waarom geven de joden zich al die moeite om vleesspijzen en melkspijzen te scheiden, en telkens weer een uitvoerige kasjroetlijst samen te stellen? Het kan toch immers veel eenvoudiger. Wordt zoals de meeste adventisten gewoon vegetarixebr en verbiedt het eten van vlees. Dan is al die moeite niet nodig en hebt u het meest gezonde diexebt dat je je maar kunt voorstellen te pakken. De rabbijn kon nauwelijks zijn verbazing onderdrukken over de onverwachte wending die het gesprek had genomen door deze opmerking van de adventistische student. Allereerst betoogde hij dat de regels omtrent rein en onrein in Leviticus en Deuteronomium helemaal niets te maken hadden met de vraag of bepaald vlees wel gezond voedsel opleverde en ander vlees niet. Waarom zou het vlees van het ene dier ongezonder zijn dan dat van een ander dier? De reinheidswetten van de tora hadden volgens hem een heel ander betekenis. Het wil de mens leren om in zijn leven scheiding te maken tussen rein en onrein; tussen goed en kwaad. Dat er in het leven dingen zijn die je wel doet en zaken die je niet doet. Ze hebben een opvoedkundige betekenis. Daardoor is het noodzakelijk om ieder jaar weer een kasjroetlijst te laten publiceren door het opperrabbinaat. Dit is nodig omdat ieder jaar nieuwe producten en voedingsmiddelen op de markt verschijnen. Het rabbinaat dient dan uit te maken of deze wel of niet kunnen worden genuttigd. Welke cakemix wel en welke niet? Waarom Luycks mosterd wel en Dijon mosterd niet? Vragen waarop het rabbinaat antwoord moet geven in overleg met andere joodse geleerden elders in de wereld. Maar verder wees hij met klem het verbod op het eten an vlees af. God heeft in de tora het eten van vlees toegestaan, mits van reine dieren afkomstig. Daarom heeft niemand het recht om de consumptie van dat vlees te verbieden. De mens heeft niet het recht om te verbieden wat God in Zijn woord heeft toegestaan.

Hier duikt een uiterst  intrigerend probleem op. Geen enkele christen zal durven bestrijden dat niemand het recht heeft om toe te staan wat God in Zijn woord heeft verboden. Maar mag je ook verbieden wat God uitdrukkelijk heeft toegestaan in datzelfdse woord?

Moslims die zich vestigen in de westerse van oorsprong niet-moslimlanden, worstelen voortdurend met dat probleem. Ook voor moslims geldt dat indien de burgerlijke wet toestaat wat God verboden heeft, de wet van God boven de burgerlijke wet gesteld is. De islam leert zelfs, dat degene die toestaat wat God verboden heeft, zoals het drinken van wijn, daardoor geen moslim meer is; zelfs als hij zelf geen wijn drinkt. Maar voor moslims geldt eveneer dat degene die verbiedt wat God heeft  toegestaan, bijvoorbeeld het eten van rundvlees, buiten de islam treedt. Hij zou bijvoorbeeld een hindoe kunnen zijn. Een ander probleem is polygamie. De profeet Mohammed practiseerde zelf polygamie. Hij huwde zelfs een negenjarig meisje ,Aisha, de dochter van zijn vriend Abu Bakr. De verhalen uit de moslimtraditie vermelden nog dat het meisje haar poppen meenam toen ze aan de profeet werd uitgehuwelijkt. Later nam hij ook nog de vrouw van een vrijgelaten slaaf tot zich. Tijdens zijn leven  huwde hij een stoet van vrouwen. De vraag is nu: "Als de profeet toestaat om meer dan xe9xe9n vrouw te huwen moet je dan de wetten in het westen eerbiedigen die polygamie verbieden?" Gaat het woord van de profeet, als het overgeleverde woord van God, niet boven iedere staatswet? Toen koning Mohammed van Marokko nieuwe wetten invoerde die de wettelijke positie van de vrouw aanzienlijk verbeterde, protesteerden de feministen in Marokko tegen deze wet; omdat deze in hun ogen niet ver genoeg ging. Veelwijverij en het recht van mannen om hun vrouw te verstoten werden niet wettelijk aangepakt. Tegen deze critiek verweerde de vorst zich met de woorden: "Ik kan als aanvoerder der Gelovigen niet verbieden wat de Almachtige heeft toegestaan".

Vanuit islamitisch oogpunt was dit ook een groot probleem bij het verbieden van slavernij. Het is algemeen bekend dat Mohammed slaven heeft gehouden. Dat maakt het voor islamitische juristen moeilijk om de slavernij te veroordelen. De slavernij is in de islamitische wereld dan ook pas heel laat, en voornamelijk onder westerse druk, verboden. In 1750 begint in de Verenigde Staten de door de Quaker-broederschappen aangezwengelde campagne tegen de slavernij. Toch duurt het nog tot 1865 dat deze daar per wet wordt afgeschaft. In Engeland was dit al in 1806 gebeurd en in Frankrijk in 1844. Kort daarop schaft ook koning Willem I de slavernij af voor alle onder Nederlands gezag staande gebieden. Het eerste moslim-land dat dit doet is Turkije in 1877. Maar toen in 1909 de laatste sultan Abdulhamid II werd afgezet, bleek dat zijn harem nog honderden slavinnen en gecastreerde slaven bevatte. Moslim handelaren hebben dan ook in de geschiedenis een cruciale rol gespeeld in de slavenhandel. De moslim staten hebben in de 17e en 18e eeuw alleen al uit Afrika meer dan 10 miljoen slaven geimporteeerd. Zelfs in de negentiende eeuw, toen overal in het westen de slavernij werd afgeschaft, kwamen daar nog eens 1.2 miljoen bij. Dit is ging zelfs door tot in de twintigste eeuw. Officieel heeft Saoedi-Arabixeb de slavernij onder druk van het westen pas afgeschaft in1962 en Mauretanixeb zelfs pas in 1981. Het is echter bekend dat slavenhandel in Soedan nog steeds floreert en dat vandaaruit nog steeds slaven uit het zwarte zuiden verhandeld worden naar Arabische landen. Want wie mag verbieden wat God heeft toegestaan?

                                                                                          K.C.van Oossanen

E

9 May 2007
By on 14:44
DE ZUCHT OM TE VERANDEREN.

Deze column werd, enigszins ingekort,  gepubliceerd in het Adventistische maandblad ADVENT no 2 van jaargang 2005

DE ZUCHT OM TE VERANDEREN.

Ongetwijfeld is Johan Cruyff de meest begaafde voetballer die Nederland ooit heeft voortgebracht. Zijn voetbaltalent heeft hem in het buitenland tot een van de meest bekende Nederlanders gemaakt. Ik ben op heel wat onwaarschijnlijke plekken op onze aardbol geweest. Dikwijls vroeg men mij naar mijn land van herkomst. Wanneer ik dan onthulde dat ik, alhoewel in in Engeland woonde, eigenlijk Nederlander  was, lichtte het gezicht van de vragensteller op en riep deze opgetogen "Cruyff", en stak entousiast zijn duim op.

Wat maakte deze Nederlandse sportman tot een van de grootste voetballers aller tijden, wiens roem nog steeds reikt tot de uiteinden der wereld? Waarschijnlijk hebben we in het fenomeen Cuyff te maken met een sportman die in zijn glorietijd beschikte over een unieke combinatie van eigenschappen die maar zelden in xe9xe9n mens zijn verenigd. In zijn vroege jeugd was er geen enkele aanwijzing dat het spichtige knulletje uit "Betondorp", een stadswijk ingeklemd tussen de Nieuwe Ooster-begraafplaats en de ringweg A 10 in Amsterdam, iets bijzonders was. Op school bleek deze zoon van een groenteboer verre van een uitblinker. Hij kon maar moeilijk meekomen. Als jongetje leek Johan Cruyff daarom helemaal niet voorbestemd voor een grootse toekomst. Als het op taal en rekenen aankwam dan scoorde hij maar matig. Tot op de dag van vandaag heeft hij ook nog steeds niet geleerd om foutloos Nederlands te spreken en te schrijven. Maar als hij ‘s avonds op straat met zijn vriendjes voetbalde bleek hij zo’n gevoel voor de bal te hebben en dermate inzicht in de mogelijkheden die het spel in zich heeft, dat het juniorenteam van iedere voetbalclub hem er graag bij wilde hebben. Nu lag betondorp, waarin Cruyff"s jeugdjaren zich afspeelden en de kindereen nog op straat konden voetballen voordat het heilige blik van auto’s de straten verstopte, in de schaduw van het voormalige legendarische Ajax-stadion aan de Middenweg. Trouwens Watergraafsmeer, waarin betondorp was gesitueerd en ook het stadion was gelegen, was Ajax gebied. Wat lag er dan ook  meer voor de hand dan dat de kleine Johan aan de hand van zijn vader naar een van de sportvelden van het Ajaxterrein in Watergraafsmeer ging om met een van de junioren elftallen te trainen. Toen bleek overduidelijk dat dit jongetje, dat volgens de onderwijzers niet overdreven slim was, over een unieke intelligentie te beschikken die hem zou maken tot de wereldberoemde voetballer die in zijn latere leven lauweren zou gaan oogsten in de grootste voetbalstadions van Europa.Wat was zo uniek aan Johan Cruyff? Naast een balvirtuoos bleek hij ook iemand die in de fractie van een seconde een spelsituatie kon overzien en analyseren, en op grond daarvan beslissingen kon nemen die het spelbeeld in xe9xe9n klap konden veranderen. Voordat de tegenstanders door hadden wat Johan van plan was, stonden ze al op het verkeerde been. Daarnaast bezat hij iets wat men tegenwoordig "sociale intelligentie" pleegt te noemen. Hij doorzag zijn tegenstanders en voelde intuxeftief aan wat ze zouden gaan doen en kon dit in zijn beslissing om op een bepaalde manier de bal te spelen meenemen.Tevens voelde hij zijn teamgenoten goed aan, wist in een oogopslag waar de spelers in het veld stonden. Hij zorgde er bovendien ook voor dat zijn medespelers in het applaus werden betrokken, wanneer dat opklonk in het stadion na weer zo’n weergaloze actie van Cruyffie. Na alweer zo’n wonderschoon doelpunt stak hij zijn duim op naar de medespeler die hem de goede voorzet had gegeven en liep vaak naar hem toe om hem te bedanken. Dit maakte dat medespelers graag met hem speelden en ervoor zorgden dat hij  de goede voorzetten kreeg die de meester in fraaie doelpunten wist om te zetten. Langzamerhand groeide hij uit tot de leider in het veld, die op tactische wijze zijn team aanvoerde, en aanwijzingen gaf aan zijn teamgenoten. Hij veroverde in het veld een natuurlijk gezag, zonder dit op een uitdrukkelijke manier te etaleren. Deze combinatie van eigenschappen maakte hem later ook tot een goede trainer, die een team kon inspireren. Toen bleek ook dat zijn sociale intelligentie hem in staat stelde om goed met de media om te gaan. Tegenwoordig is dit voor een voetbaltrainer bijna net zo belangrijk als verstand van voetbal hebben. Toen een lastige journalist hem eens het vuur aan de schenen legde en opmerkte dat hij ondanks de uitleg van Cruyff niet begreep van de gevolgde tactiek van het team in het veld, antwoordde Cruyff: "Als ik gewild had dat jij het begrepen had zou ik het ook wat duidelijker hebben uitgelegd". Hij had ogenblikkelijk de sympatie van de toehoorders en de lachers op zijn hand. De journalist had het evenwel afgeleerd om moeilijk te doen tijdens de briefings voor de pers. Juweeltjes van uitspraken over voetbal, niet altijd in grammmaticaal  goed Nederlands, werden door journalisten geregistreerd. De meeste mensen snapten niet veel van zijn commentaren op radio en televisie, maar dat hoefde ook niet. Je moest ze beschouwen als orakels en die hoef je ook niet te begrijpen. Veel van zijn uitspraken zijn door journalisten verzameld en tegenwoordig terecht  gekomen in het lespakket van allerlei managementscursussen. Dat is niet zo verwonderlijk, want het leiden van een bedrijf, het coachen en inspireren van een team medewerkers in een bedrijf verschilt immers niet veel van het trainen en motiveren van een voetbalteam in een topclub. Een van der gevleugelde uitdrukkingen die in vele managementscursus wordt gebruikt is : " IK HEB GRAAG DAT VOETBALLERS TIJDENS EEN WEDSTIJD BEWEGEN EN LOPEN IN HET VELD, MAAR ALS ZE NIET WETEN WAAR NAAR TOE, DAN HEB IK LIEVER DAT ZE BLIJVEN STAAN". Veranderen van positie is goed, maar het moet wel zin hebben, anders kan men het beter nalaten, bedoelde Cruyff te zeggen. Dit geldt evenzeer voor bedrijven en organisaties. Vernieuwen en veranderen heeft alleen maar zin als men zeker weet dat daarmee de doelstelling van de organisatie beter kan verwezenlijken. Zo niet dan kun je beter alles bij het oude laten. Veranderen louter en alleen om de zucht tot verandering te bevredigen, heeft menig bedrijf naar de rand van de afgrond gebracht.

Waarschijnlijk slaat dit evenzeer op een kerkelijke organisatie. Soms slaat ook daar de zucht tot veranderen toe, zonder dat men zicht heeft op de richting die men daarmee de kerk opstuurt. Af en toe hoor bepaalde groepen leden betogen dat ze van de kerk zijn losgeraakt en de diensten niet meer bezoeken omdat het allemaal zo ouderwets toegaat en men zo star is in de kerk. De gemeente schrikt als ze dit verneemt. Ze besluiten dan dat het roer drastisch moet worden  omgegooid. Alles moet ineens anders. Zo hoopt men de groep terug te winnen. Het kerkorgel wordt op slot gedaan en een band, compleet met electische gitaren en een drumstel, doet zijn intrede in de kerk. Weg met de preek, getuigenissen, veel gezang en handgeklap. Het liedboek aan de kant en vervangen door bundels met opwekkingsliederen. Maar dan ontdekt men nogal eens dat al die klagers, ondanks al die ingevoerde veranderingen, toch niet terug komen. Hun argument was wellicht een schijnargument. Ze camoufleren misschien alleen maar hun desinteresse en onwil om terug te keren  naar de kerk van hun kindertijd. Het effect is dan alleen maar dat men de trouwe bezoekers, die nog wel ter kerke gingen, van zich heeft vervreemd, zonder dat degenen om wie de zaak werd omgegooid terug zijn gewonnen.

Veranderen is soms nodig en dan moet dat ook kunnen. Maar je moet wel weten waar je naartoe wil met je veranderingsproces en de consequenties daarvan goed hebben overwogen. Is dat niet gebeurd, dan loop je kans dat je meer schade aanricht dan dat je de zaak vooruit helpt.

                                                                                                             K.C.van Oossanen

20 April 2007
By on 13:48